Het diplomatenklasje van 2008

Bijna alle 150 ambassadeurs van Nederland kwamen begin september naar Den Haag voor hun jaarlijkse ontmoeting met de thuisbasis. De meesten begonnen in het befaamde ‘diplomatenklasje’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Wat leren de diplomaten tegenwoordig? Drie maanden in de klas met de lichting 2008.

Het ‘klasje’ uit 1988. Staand, helemaal rechts, Paul Bekkers, en staand, vierde van rechts, Wim Geerts. Zittend, tweede van links, Simone Filippini
Het ‘klasje’ uit 1988. Staand, helemaal rechts, Paul Bekkers, en staand, vierde van rechts, Wim Geerts. Zittend, tweede van links, Simone Filippini

De toestand op het geïmproviseerde crisiscentrum van het ministerie van Buitenlandse Zaken is lichtelijk chaotisch. Op de gang wordt geroepen: ‘Hallo, ik ben minister.Moet ik nu zelf achter iedereen aan lopen of komt men naar mij toe?’

De zware mortieraanval op de militaire basis in Kabul waarbij twee Nederlanders gewond zijn geraakt en twee Apache gevechtshelikopters zwaar beschadigd, is dan al weer uren oud. Maar ‘Den Haag’ hult zich in stilzwijgen. Ook is er nog altijd geen standpunt over het vredesaanbod van Al-Qaeda waarvan het ultimatum binnen enkele uren afloopt. De Nederlandse EU-vertegenwoordiging in Brussel telefoneert geërgerd met het departement: ‘Kunnen we nu eindelijk eens instructies van jullie krijgen. We worden hier plat gebeld over de Al-Qaeda voorstellen. Welke lijn moeten we volgen?’

Vijf minuten later hangt uit hetzelfde Brussel de Nederlandse ambassadeur bij de NAVO aan de lijn: ‘Ik hoor helemaal niets uit Den Haag. Wat zijn de richtlijnen?’ Weer vijf minuten later belt de Nederlandse ambassadeur in de Pakistaanse hoofdstad Islamabad met het ministerie: ‘Ik zou nu toch graagwel wat informatie krijgen.’ De ambtelijke top van het ministerie van Buitenlandse Zaken die het crisiscentrum bemant, weet het ook niet. ‘U krijgt zo snel mogelijk van ons te horen’, luidt het standaardantwoord.

Via een televisiescherm in een belendende zaal kijken de bedenkers van het rollenspel geamuseerd hoe de paniek onder de cursisten toeneemt. ‘Ze lopen maar wat rond, ze zijn totaal niet productief bezig’, zegt Anke Sørensen. Maar ze weet ook dat dit erbij hoort, zo helemaal aan het begin van de oefening. En inderdaad, kort daarna ontstaat er iets van structuur. De directeur Azië en Oceanië, dat wil zeggen degene die deze rol speelt, neemt spontaan de leiding. Hij roept een aantal mensen om zich heen en zegt gedecideerd: ‘Laten we proberen elkaar elk uur op de hoogte te stellen.’

Het is maandagmorgen 9 juni. Terwijl in het echt de Afghaanse president Karzai zojuist op de Rotterdamse luchthaven Zestienhoven is aangekomen voor een tweedaags bezoek aan Nederland, hebben de twintig leerlingen van de Basisopleiding Beleidsmedewerker Buitenlandse Zaken, beter bekend als ‘het klasje van BZ’, hun eveneens twee dagen durende crisissimulatie. De gebeurtenissen waarmee zij die ochtend worden geconfronteerd blijken pas het begin van een crisis die steeds verder escaleert. Een dag later is sprake van aanslagen op de Nederlandse, Britse en Duitse ambassades in Kabul met vele doden en gewonden, zijn drie Nederlandse Rode Kruis-medewerkers in Afghanistan ontvoerd en wordt er serieus rekening gehouden met een aanslag in Den Haag zelf op het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Een ontknoping blijft uit. Als de crisis op haar hoogtepunt is, moeten de deelnemers allemaal figureren in een ander simulatiespel: een spoeddebat in de Tweede Kamer met de meest betrokken ministers over de ontstane situatie. Ook daar spelen zij hun rol met verve. ‘Het terrorisme heeft wel degelijk een kleur. Het groen van het islamitisch radicalisme’, zegt de aanstaande diplomaat die voor PVV-Kamerlid mag spelen.

Het ‘klasje’ van Buitenlandse Zaken. Nog altijd is het een begrip in ambtelijk en politiek Den Haag. Hier worden ze in drie maanden klaargestoomd: al die diplomaten die Nederland op één van de meer dan honderdvijftig posten in het buitenland vertegenwoordigen. Weg uit eigen land, elders aan de slag. Dat is de drijfveer van de vele honderden mensen die jaarlijks reageren op de oproep van het ministerie van Buitenlandse Zaken om te solliciteren als ‘startend internationaal inzetbare medewerker’.

Ze kiezen voor een loopbaan die hen langs vele plekken zal voeren, niet voor een vast omschreven functie. Naar het buitenland gaan ze zeker. Maar anders dan vroeger zullen zij ook een deel van hun loopbaan moeten slijten op het departement in Den Haag. Een gevolg van de dertig jaar geleden veelbesproken ‘integratie’ waardoor het verschil tussen de binnendienst en de buitendienst op het departement grotendeels werd opgeheven. Oftewel waardoor voortaan ‘Jan en alleman die op het ministerie werkten het vliegend tapijt konden bestijgen’, zoals oud-ambassadeur P.S.J. Rutgers in 2000 onder het pseudoniem Pelegrinus knorrig in zijn boekje Buitenlandse Zaken neerschreef.

Een studie in Leiden, vanzelfsprekend lid van het studentencorps Minerva uit die stad en een dubbele naam. Dat blijft het beeld van het klasje en van Buitenlandse Zaken. Zo was het ook. Nog tot ver in de jaren zeventig wemelde het van de namen als graaf de Marchant et d’Ansembourg, baron de Vos van Steenwijk, baron Bentinck van Schoonheten, baron Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, en baronesse Van Hövell tot Westerflier. De buitenlandse dienst had nu eenmaal nauwe banden met de adel.

Anno 2008 geeft de lijst van het klasje geen enkele baron of jonkheer meer te zien. De aristocratie is vervangen door namen uit het nieuwe Nederland: Timor El-Dardiry, Bina Saib, Lydia El Afi, Esra Yilmaz heten ze tegenwoordig. En dan nog een opmerkelijk verschil met vroeger. Toen was een vrouw in het klasje een hoge uitzondering. Maar de lichting van dit jaar telt twaalf vrouwen en acht mannen.

De diplomaten in spe. Wie zijn ze, waarom kozen ze voor Buitenlandse Zaken, wat willen ze en hoe ervaren zij de opleiding?

Neem Miriam Otto. Ze is 25 jaar. Werken in het buitenland trekt haar ‘enorm’ aan. ‘Ik heb mijn hele leven al veel gereisd. Toen ik zeven jaar was, zat ik een jaar lang in een kampong in Indonesië waar mijn moeder als antropoloog werkte. En op mijn zeventiende ging ik naar Parijs om me in de Franse taal te verdiepen.’

Of Bastiaan de Bruijne, 29 jaar, ook al met de nodige reiservaring. Syrië, Iran, verre landen dus. Woonde en studeerde in Parijs, Londen, Brussel en Bologna. ‘Ik had twee defining moments om voor Buitenlandse Zaken te kiezen’, zegt hij. ‘De val van de Muur die als klein jongetje veel indruk op me heeft gemaakt en de uitbreiding van de Europese Unie met tien landen in 2004. Dat gaf me echt een gevoel dat iedereen er nu bij hoort.’

Esra Yilmaz, 28 jaar, had altijd al een grote interesse voor talen. Deed een cursus internationaal recht in Aix en Provence en vertrok op haar 18de als au pair naar Londen. Spreekt Engels, Duits en Turks en heeft, zoals ze zelf zegt, ‘een basiskennis’ van het Russisch. ‘Het leek me enorm leuk om voor Buitenlandse Zaken te werken. Het is de internationale dimensie die mij aanspreekt.’

Jan Reinder Rosing, 25 jaar, werd gegrepen door het vak toen hij in 2002 als jongerenvertegenwoordiger met toenmalig minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking mee mocht naar een inter-nationale conferentie in het Mexicaanse Monterey. ‘De dynamiek van de onderhandelingen sprak me heel erg aan: wat doen de Fransen, wat zeggen de Zweden? Ik vond het geweldig.’

Lydia El Afi, 29 jaar, ging ook al als jongerenvertegenwoordiger voor Nederland op reis. Als lid van de Nationale Jeugdraad was zij in 2001, enkele weken na de aanslagen op de Twin Towers, bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York. ‘Ik heb toen nog een speech voorgelezen, heel spannend allemaal.’

Inderdaad, de tijd dat mensen rechtstreeks van de universiteit naar het klasje doorstroomden, is voorbij.

‘Relevante werkervaring’ is één van de essentiële vereisten. Die hebben alle twintig uitverkorenen. ‘Als je die cv’s van tegenwoordig ziet, zouden wij nooit meer zijn aangenomen’, verzuchten de wat oudere ambtenaren van Buitenlandse Zaken regelmatig. Een meestertitel en een goede babbel zijn al lang niet meer voldoende. Laten zien dat je wat kan, gewerkt hebben in een internationale non-gouvernementele organisatie zoals bij Cordaid, Child Savings International, Defense for Children, of anders wel bij de OVSE of UNHCR, dat telt mee, zo blijkt uit de cv’s van de klas van 2008.

Bastiaan de Bruijne zei zijn baan als beginnend advocaat bij De Brauw Blackstone Westbroek op om bij Buitenlandse Zaken aan de slag te gaan. ‘Ik vond het zelf belangrijk om de private sector te leren kennen’, zegt hij. Bij het gerenommeerde advocatenkantoor hield hij zich bezig met emissierechten. ‘Een niche’ en ‘goed’ om te hebben meegemaakt, vindt hij, maar het in zijn vrije tijd actieve lid van de Europese Beweging Nederland, een organisatie van Europagezinde burgers, voelde zich toch meer betrokken bij de internationale politiek.

Jan Reinder Rosing is uit zijn eigen onderneming gestapt. Hij was mededirecteur van Debat NL, een bedrijf dat discussie en communicatietrainingen voor bedrijven en organisaties verzorgt. ‘Ik dacht vorig jaar: wat moet ik hier nog? Ik had het bedrijf al een paar jaar en ben toen naar een voorlichtingsbijeenkomst van Buitenlandse Zaken gegaan, omdat ik de belangstelling toch al enigszins had. Daar ben ik toen heel enthousiast geworden.’

Miriam Otto werkte bij Vluchtelingenwerk Nederland. Ze was toe aan iets anders. ‘Ik wilde nu eens niet langer het belang van één specifieke groep behartigen, maar verschillende publieke belangen.’

Voor Lydia El Afi was de overstap minder groot. Ze werkte al voor het ministerie van Sociale Zaken op de permanente vertegenwoordiging van Nederland in Brussel, de Europese ambassade. Hetzelfde geldt voor Esra Yilmaz, die een baan had als wetgevingsjurist op het ministerie van Verkeer en Waterstaat in Den Haag en dus ook al in overheidsdienst.

Allemaal zijn ze uiteindelijk in het klasje terechtgekomen, na een meer dan een half jaar durende sollicitatieprocedure. Talentest, kennistest, psychologische test, telkens overleefden ze een ronde om ten slotte voor een drie kwartier durend gesprek voor de adviescommissie te verschijnen. Met daarin mensen uit de ambtelijke top van Buitenlandse Zaken, met daarnaast een vertegenwoordiger van het ministerie van Economische Zaken en een lid van de raad van bestuur van ABN Amro. Aan deze commissie de taak om van de ongeveer veertig overgebleven kandidaten er uiteindelijk twintig te selecteren.

Ab van Ravestein, directeur van de aan het ministerie van Economische Zaken verbonden Economische Voorlichtingsdienst, zit al zes jaar in de commissie. Altijd weer op zoek naar die mensen die, zoals hij zegt, ‘de merkwaardige mix van diplomatieke gaven en praktische vaardigheden in zich weten te verenigen’. Wat hem van de groep van dit jaar vooral is bijgebleven, is ‘dat zij zich allemaal zo enorm goed wisten te presenteren’. Op het kennisniveau van de sollicitanten die in de laatste ronde terecht zijn gekomen, valt nooit zo veel aan te merken. Voor Van Ravestein is dan ook veel meer van belang hoe zij met die kennis omgaan. ‘Een simpel voorbeeld’, zegt hij. ‘Vroeger vroeg ik aan sollicitanten of ze het Nederlandse bedrijfsleven kenden. Nu vraag ik hun de sterke punten van het Nederlandse bedrijfsleven te noemen.’

Eerste schooldaggevoelens in één van de ontvangstzalen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is 1 april en het klasje komt voor het eerst officieel bijeen. Gespannen en onwennig staan ze met hun twintigen aan de koffie. De kleding is direct al BZ-proof. Heren in donker pak, vrouwen in stemmig broekpak dan wel niet te opvallende rok of jurk. Niet alleen begint vandaag hun drie maanden durende opleiding, ze worden ook nog eens officieel beëdigd als ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Allemaal aangesteld in de ambtelijke salarisschaal 11, die is gereserveerd voor beginnende beleidsmedewerkers. De ‘elfjes’ wordt er wel gezegd op het departement.

Plaatsvervangend secretaris-generaal Fons Stoelinga van het ministerie heet hen welkom. Hij vertelt hoe hij destijds als 28-jarige direct na het klasje ‘dat toen nog een jaar duurde’ naar Accra werd uitgezonden als tweede man van de Nederlandse ambassade in Ghana. Daar aangekomen kon hij vrijwel direct de ambassadeur vervangen die, nu er weer een tweede man was, van zijn veel te lang uitgestelde verlof gebruik ging maken. Bevrijdend gelach in de zaal. ‘Inderdaad, dat was vroeger’, zegt Stoelinga.

De werkelijkheid van nu is dat de nieuwe BZ-ers bijna allemaal een paar jaar op het ministerie in Den Haag zullen moeten doorbrengen voordat zij naar buiten mogen. Er zijn dit jaar slechts twee ‘posten’ elders te vergeven aan mensen die direct uit het klasje komen. Dhaka en Kabul. ‘Ik hoop dat jullie een brede horizon willen blijven houden. Dan zijn de kansen op ontwikkeling het grootst’, zegt Stoelinga.

Voor de meesten van de ‘BBBZ5’ zoals het klasje in het jargon van Buitenlandse Zaken te boek staat, is die brede horizon nu precies hun bedoeling. Ver weg en spannend, dat is juist wat zij willen. De binnen het ministerie nieuw opgerichte eenheid fragiliteit en vredesopbouw met instabiele landen als Afghanistan en Soedan blijkt dan ook veruit favoriet op de zogeheten plaatsingslijst waar iedereen in een rangorde van één tot en met vijf moet aangeven waar men na afloop van het klasje de eerste jaren wil slijten. ‘Een land waar iets gebeurt, daar wil ik het liefste heen’, zegt Jan Reinder Rosing. ‘Post-conflictgebieden, werken aan vredesopbouw, dat trekt me wel aan’, mijmert Miriam Otto. Groot is dan ook de teleurstelling onder de leerlingen als halverwege de cursus blijkt dat de vacature Kabul is geschrapt. Secretaris-generaal Ed Kronenburg, de hoogste ambtenaar van het ministerie, wilde bij nader inzien geen onervaren mensen op deze riskante post.

Een statig gebouw aan het Haagse Lange Voorhout, met links uitzicht op de Amerikaanse ambassade en rechts op de bij gepensioneerde diplomaten favoriete bodega De Posthoorn fungeert als thuishaven voor het klasje. Het gebouw behoort toe aan Campus Den Haag van de Universiteit Leiden. Dit Haagse onderdeel van de universiteit snoepte vijf jaar geleden de prestigieuze diplomatenopleiding af van instituut Clingendael. ‘Het wordt de komende dertien weken heel hard werken. Ook ’s avonds en ook in de weekeinden’, waarschuwt cursusleidster Charlotte Staats op de eerste dag. ‘Probeer zo scherp mogelijk te blijven, neem tijd voor reflectie, zoek ruimte voor ontspanning en geniet er een beetje van.’

Genieten doen de meesten wel. Maar ontspannen? ‘De balans met mijn privéleven is behoorlijk weg’, zegt Miriam Otto na acht weken. Ze is niet de enige met deze klacht. Het algemene gevoelen binnen de groep is op dat moment dat er te veel van hen wordt gevraagd. Opdrachten maken, presentaties voorbereiden, gesprekken voeren, persoonlijkheidstrainingen. Ze zitten dan midden in de verdiepende fase. Programmamanager en vaste klasjebegeleidster Margot Stroeken van Campus Den Haag had al van te voren voorspeld dat deze terugslag zich zou voordoen. ‘Ook dat hoort erbij’, zegt ze lachend.

Het klasje heeft gedurende zijn dertien wekende durende opleiding de beschikking over een vaste ruimte waar les wordt gegeven, maar waar ook voor iedereen computers staan. Tussen elk lesonderdeel snellen de meesten naar hun computer om ‘even de mail te checken’. ‘Dat zag je vijf jaar geleden niet’, zegt Campus-directeur Jouke de Vries. Op de schoorsteenmantel in de cursusruimte staan ingelijste foto’s van de klasjes van de vier voorgaande jaren. De Vries hoopt dat er nog een rij naast zal komen te staan. Na de cursus van dit jaar volgt er namelijk een nieuwe wettelijk voorgeschreven aanbesteding en zal de concurrentie zich ongetwijfeld roeren. Wie het klasje van Buitenlandse Zaken mag opleiden, kan zich immers in het circuit vertonen.

‘Weet iemand van u het verschil tussen een kameel en een diplomaat’, vraagt de gast-docent van deze ochtend. ‘Nee? Een kameel kan twee weken werken zonder te drinken en een diplomaat kan twee weken drinken zonder te werken.’ Bob de Graaff, bijzonder hoogleraar aan Campus Den Haag, belicht in het kader van de introductiefase de historie van de Nederlandse diplomatieke dienst. Het is een vooral vrolijk verhaal met veel smeuïge anekdotes uit een tijd dat Buitenlandse Zaken er in Nederland niet zo veel toedeed. De eerste helft van de vorige eeuw waren het vooral de koloniën die de grensoverschrijdende politiek beheersten. ‘Het departement telde dertig mensen en bungelde er maar beetje bij’, zegt De Graaff. De ambassadeursposten, toen nog gezantschappen geheten, waren over het algemeen erefuncties voor mensen uit de adel waar geld op moest worden toegelegd. Of er een schrijfmachine op rijkskosten mocht worden aangeschaft, vroeg de gezant in Rome. Nee, zei Den Haag, alleen portokosten werden vergoed.

De Graaff stelt de aanstaande diplomaten op hun gemak en verzekert dat met het verdwijnen van de Nederlandse neutraliteitspolitiek na de Tweede Wereldoorlog het belang van Buitenlandse Zaken toenam. Maar tot ver in de jaren vijftig hielden de ambtenaren van het departement er hun eigen taakopvatting op na. Tot grote hilariteit van zijn toehoorders verhaalt hij over de ambtelijke leiding van het departement die zich in de zomer bij mooi weer dagelijks vele uren ophield op het luxe deel van het strand van Scheveningen. De Graaf: ‘Men zegt dat er wel eens een dienstbevel is uitgegaan dat men aan het strand diende te zitten.’

Lydia El Afi bedankt De Graaff namens de groep voor zijn bijdrage. ‘U hebt ons geleerd dat Buitenlandse Zaken ooit een hobby was voor aristocraten en weinig toegankelijk voor mensen zoals wij die nu in het klasje zitten.’ Dat geldt al helemaal voor haar zelf. De met een zuidelijk accent sprekende El Afi werd in 1977 in Maastricht geboren als kind van Marokkaanse ouders. ‘En vrouw en ook nog allochtoon. Ik ben me ervan bewust dat dit zo gezien wordt. Ik hoop alleen dat op den duur mensen me niet meer zo zien. Nu ben ik blij dat ik kan laten zien dat het ook goed kan gaan met allochtonen.’ En haar ouders? ‘Mijn moeder heeft altijd gezegd dat ik economische zelfstandigheid moet nastreven. Zij is heel trots. Ze vindt het fantastisch dat ik bij het ministerie van Buitenlandse Zaken werk.’

Hetzelfde geldt voor de ouders van Esra Yilmaz. Die komen uit Turkije. Haar vader ging in de jaren zeventig in Nederland werken als werktuigbouwkundig ingenieur. Zelf beschouwt Esra Yilmaz zich helemaal niet als allochtoon. ‘Zo voel ik me niet. In mijn omgeving merk ik er ook niets van. Ze zien mij als Esra. Ik vind het niet prettig als er over dé allochtonen gepraat wordt. Het komt ook door de media die het te scherp neerzetten.’

Theorie en vaardigheden, daar gaat het tijdens de opleiding allemaal om. De hele wereld in dertien weken. Middagje China, ochtendje Rusland, ochtend Afghanistan in het Museum voor Volkenkunde in Leiden, driedaagse ‘megacursus’ energie, twee dagen economie, drie dagen Europese Unie, vier dagen ontwikkelingssamenwerking enzovoort, enzovoort. En dat alles in een didactisch verantwoord programma met zelflerende teams, persoonlijke ontplooiingsprogramma’s, rollenspellen en excursies. ‘Met alleen kennis kom je er niet. Netwerken is wel heel erg belangrijk. Dat is het belangrijkste dat ik tot nu toe heb geleerd’, zegt Esra Yilmaz halverwege de opleiding.

De ontmoeting met de leden van de vaste Tweede Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken resulteert uiteindelijk in een gesprek met de CDA’er Kathleen Ferrier die, afgezien van de griffier, als enige komt opdagen. Of ze tevreden is met de antwoorden die ze krijgt op de schriftelijke vragen die ze stelt, vraagt één van haar gasten. ‘Nou’, zegt Ferrier, ‘soms zijn de antwoorden wel erg algemeen gesteld. Maar ja, dan moet je de vragen ook op zo’n manier stellen dat jullie van Buitenlandse Zaken er niet te snel mee weg komen.’ Er klinkt een geroezemoes van herkenning. Het lesonderdeel Kamervragen hebben ze al achter de rug. Net als trouwens de oekaze dat ambtenaren van Buitenlandse Zaken niet geacht worden rechtstreeks contact met Kamerleden te hebben. Bij het afscheid spreekt Ferrier de hoop uit dat ze allemaal ‘bevlogen en kritische ambassadeurs zullen worden’.

Nog zo’n anekdote over het klasje. Leren ze daar niet vooral hoe ze in een ver afgelegen land in Afrika van luciferhoutjes cocktailprikkers kunnen maken om tijdens de traditionele Koninginnedagreceptie de haring aan te kunnen prikken? De klas van 2008 wordt het niet bijgebracht. Of nog niet? De cursus etiquette blijft bewaard tot de terugkomdag in oktober.

Wel is er het leren recipiëren. Speciaal daarvoor komen twee diplomaten van de Amerikaanse ambassade in Den Haag langs ter voorbereiding van een heuse receptie bij de zaakgelastigde van de Verenigde Staten waarvoor de hele klas, in het kader van hun opleiding, is uitgenodigd. Les 1: een diplomatieke receptie is geen gezelligheidsactiviteit, maar puur werk. Dus niet te veel drinken, geen gesprekken met elkaar, ook geen gesprekken met iedereen – men dient zijn plaats te kennen – en minimaal drie contacten leggen.

En dan de praktische tips: kom met een gevulde maag om te voorkomen dat de alcohol te hard toeslaat, weiger bitterballen (vette vingers), niet direct aan het begin al haring (slechte adem). Ten slotte nog een tip om af te komen van de receptieganger die aan je blijft plakken: zeggen dat men ‘even de handen moet wassen’ is de manier. Bastiaan de Bruijne heeft er veel van geleerd. ‘Ik heb op de receptie bij de Amerikanen doelbewust verschillende mensen die ik niet kende aangesproken. Het werkt echt.’

Er moet snel een ‘BeMo voor R’ worden geschreven. Daar heeft ‘RS’ om gevraagd. Verrassend snel nemen de leerlingen van het klasje het voor buitenstaanders vaak absurdistische afkortingenproza van het ministerie van Buitenlandse Zaken over. BeMo staat voor beoordelingsmemo: een notitie op basis waarvan de minister een besluit moet nemen. M staat voor minister die dan ook consequent als zodanig wordt aangeduid. Niemand heeft het over minister Verhagen, of over minister Koenders (R, in Buitenlandse Zaken taal omdat er al een M is) of staatssecretaris Timmermans (T, een bestaande aanduiding voor de staatssecretaris die dus niets te maken heeft met de eerste letter van zijn naam). RS is de particulier secretaris van de minister voor ontwikkelingssamenwerking. Niet te verwarren met PS, want dat is de particulier secretaris van de minister van Buitenlandse Zaken. Het afkortingenoerwoud stamt nog uit de tijd dat de telex op Buitenlandse Zaken het belangrijkste communicatiemiddel was en dat elke letter minder tijdwinst opleverde.

‘Ik probeer er heel erg op te letten om niet te veel in jargon te praten’, zegt Miriam Otto. ‘BZ is misschien heel gewoon in Den Haag, maar in Amsterdam waar ik woon, kent niemand die afkorting.’

Eén van de wat meer ervaren ambtenaren die langskomt, drukt zijn aanstaande collega’s op het hart zo min mogelijk van de terminologie van Buitenlandse Zaken over te nemen. ‘Het belemmert een eigen stijl en leidt ondertussen wel tot een papegaaientaal.’

‘Pluhvuh DGPZ’, klinkt het tijdens één van de rollenspellen. Er wordt glazig gekeken naar de medeleerling die zich als zodanig voorstelt. ‘Ik ben plaatsvervangend directeur-generaal politieke zaken’, verduidelijkt hij.

De apotheose van de cursus vindt eigenlijk al drie weken voor het officiële einde plaats. Vrijdag 6 juni is de grote dag. Het is de dag waarop iedereen te horen krijgt bij welke afdeling ze de komende drie jaar zijn geplaatst en van waaruit hun BZ-carrière zal beginnen. ‘Hier is het toch eigenlijk allemaal om te doen’, zegt één van de leerlingen.

Vandaag wordt bekend wiens voorkeur volledig is gehonoreerd of wie heel ergens anders terechtkomt. Het is de personeelsdienst die autonoom beslist waar iedereen geplaatst zal worden. Even was men in het klasje niet meer collega, maar elkaars concurrent. Lobbyen bij de afdelingen die men had opgegeven, was ‘not done’, maar een enkeling deed het toch, wat even tot spanning in de groep leidde. Op de dag zelf overheerst het saamhorigheidsgevoel. In café Hator, niet ver van hun cursusplek, zit iedereen bij elkaar om het bevrijdende telefoontje af te wachten. Achter elkaar wordt er gebeld, en bij elke bekendmakking klinkt weer een luid gejuich. Zowel bij Bastiaan de Bruijne als bij Jan Reinder Rosing stond de later van hogerhand ingetrokken vacature Kabul bovenaan de lijst. Maar voor Bastiaan de Bruijne wordt het de komende jaren Soedan, maar wel vanuit Den Haag, terwijl Jan Reinder Rosing zich vanuit de directie Veiligheidsbeleid onder andere kan gaan bezighouden met vredesoperaties in het Midden-Oosten.

Miriam Otto had mensenrechten op nummer één staan, gevolgd door een voorkeur voor de eenheid fragiele staten. Ze zal zich gaan storten op de mensenrechten in Latijns-Amerika. Esra Yilmaz wilde ook mensenrechten of fragiele staten. Haar beleidsterrein voor de komende jaren is het volgen en ondersteunen van projecten voor duurzame economische ontwikkeling op onder andere de Balkan. Lydia El Afi had een voorkeur voor Afrika, in het bijzonder de sub-Sahara, of anders iets op het terrein van het milieu. Ze is geplaatst op de directie Midden-Oosten. Het is iets anders, maar ze gaat er met evenveel enthousiasme aan de slag, kondigt ze aan. ‘Dit is de BZ-werkelijkheid. De keuze voor je eigen toekomst is beperkt.’

De echte laatste dag is op 27 juni. Verdeeld in vier groepen presenteren de leerlingen van het klasje hun laatste werkstuk: de complexe eindopdracht. Nu eens geen spel of oefening, maar een echte opdracht waar Buitenlandse Zaken iets mee kan. Bijvoorbeeld de vraag hoe minister Koenders in september tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het Nederlandse beleid ten aanzien van het bereiken van de millenniumdoelstellingen het best kan presenteren. De opdrachtgevers in de zaal zijn allemaal tevreden.

Hermien van Triest, directeur personeelszaken van het departement deelt samen met directeur Jouke de Vries de certificaten uit. Diplomatie is geen wetenschap, maar een kunst, zegt hij. Esra Yilmaz bedankt in een humoristische toespraak namens de groep iedereen die aan de cursus heeft meegewerkt. ‘We hebben twee belangrijke dingen geleerd’, zegt ze. ‘Conformisme is de weg naar de top en we kennen nu allemaal de uitdrukking zo vals als een diplomaat.’ Enkele dagen later zegt ze dat ze zonder het klasje nooit op zo’n ontspannen wijze een zaal had kunnen toespreken.

Terug naar de crisissimulatie van het begin. Naar de aanslagen met dode en gewonde ambassademedewerkers. André van Wiggen, crisisexpert op het ministerie, geeft zijn welwillend oordeel over het optreden van de groep.

‘Zijn er in werkelijkheid wel eens mensen van Buitenlandse Zaken overleden?’ vraagt Bastiaan de Bruijne, toch enigszins bezorgd. ‘Wel in het verkeer’, zegt Van Wiggen. ‘Maar ter geruststelling van jullie, voor het overige ligt het overlijdensquotum bij ons op het departement vrij laag.’

Mark Kranenburg is diplomatiek redacteur van NRC Handelsblad.
    • Mark Kranenburg