Gentechnologie heeft toch ook wel positieve kanten

Hein-Anton van der Heijden gaat in zijn artikel `Gentech vergroot ongelijkheid` (Opiniepagina, 27 augustus) helaas volledig voorbij aan de positieve rol die gentechnologie kan spelen bij het oplossen van (milieu)problemen.

Vrijwel geen enkele deskundige beschouwt gentechnologie als een gevaar voor mens of milieu, integendeel. Het gebruik van gewassen met een ingebouwde resistentie tegen ziektes zorgt er bijvoorbeeld voor dat minder bestrijdingsmiddelen gebruikt hoeven te worden. Daardoor komt minder toxisch afval in het milieu. Gedurende de periode 1996-2006 is zo door het gebruik van gentechnologiegewassen wereldwijd in totaal 286 miljoen kg minder pesticide gebruikt.

Genetisch gemodificeerd katoen, resistent tegen vraat door bepaalde insecten en aangeplant in India, heeft een ruim 80 procent hogere opbrengst . Inkomsten voor lokale boeren in arme landen nemen daardoor toe. Bovendien is minder landbouwgrond nodig, waardoor de druk op het milieu, schaarse ruimte en omliggende ecosystemen afneemt.

Uiteraard blijft ook mét gentechnologie de burger beslissen over ons voedselaanbod. Tenslotte kan de Europese consument, indien hij daadwerkelijk zoveel belang hecht aan de `natuurlijkheid` van zijn voedsel, in de supermarkt altijd voor niet-genetisch gemodificeerd voedsel kiezen.

Van der Heijden merkt terecht op dat technologie niet in staat is álle problemen op te lossen. Veel problematiek is echter wel op te lossen of te verkleinen door technologische vooruitgang. Een verstandige toepassing van gentechnologie kan een belangrijke bijdrage leveren aan verbetering van ons milieu. Het categorisch afwijzen van alles wat `onnatuurlijk` is, is dan ook niet alleen populistisch, maar vooral zeer onverstandig.