De stelling van Jaap Kooijman: het privéleven van politici doet er wel degelijk toe

Is de politieke cultuur net zo Amerikaans aan het worden als de populaire cultuur? Een gesprek van Folkert Jensma met cultuurwetenschapper Jaap Kooijman over waarom heel goede nep toch weer een authentieke ervaring oplevert. Ook in de politiek.

Jaap Kooijman universitair hoofddocent Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 2-09-2008

U heeft het in uw boek over karaoke-Amerikanisme dat de Nederlandse populaire cultuur kenmerkt. We worden dus steeds Amerikaanser?

„We nemen veel conventies van de Amerikaanse popcultuur over. Vaak zijn dat clichés; het zijn formules of formats die we al kennen. Binnen een vast stramien. Maar het is meer dan slechts imitatie. We geven er een eigen draai aan, een vertaling naar een lokale of nationale context. Dat kan spot zijn, of bewondering of een uiting van een specifieke eigen identiteit. De Amerikaanse audiovisuele taal wordt overgenomen, maar leidt niet tot een regelrecht afgietsel van Amerika.”

Maar ‘echt’ is het ook niet.

„Popcultuur is per definitie niet ‘echt’. Het is de beleving van de gebruiker die popcultuur al dan niet tot een authentieke ervaring maakt. De term absolute fake van Umberto Eco geeft dat mooi aan. Hij zegt dat de Amerikaanse popcultuur authenticiteit, ‘the real thing’, wil bereiken door totale nep te produceren. De ‘absolute fake’ is zo nep dat het echter lijkt dan echt.

„In Nederland zijn we opgegroeid met het denkbeeldige Amerika van Hollywood, MTV, commercials en Las Vegas. Onze popcultuur bestaat ook uit ‘absolute fakes’ die wij zelf vaak heel Amerikaans vinden, zelfs als Amerikanen dat niet zouden doen.”

U geeft een paar voorbeelden van Nederlanders die zo Amerikaans ‘nep’ zijn dat ze vervolgens als volkomen authentiek Nederlands worden beleefd door het publiek.

„Ja, maar ik zeg alleen dat je ze kunt bekijken als de Amerikanen die ze nooit geweest zijn. Lee Towers is het ultieme voorbeeld. Zijn imitatie van de Las Vegas-crooner is zo expliciet dat hij een parodie lijkt. Tegelijk drukt hij er ook zijn lokale en nationale identiteit mee uit. Hij is verbonden met de Rotterdamse haven, met de wereld van het voetbal, met Beatrix. Hij gebruikt de Amerikaanse popcultuur moeiteloos om het Oranjegevoel, het voetbal- en koningshuissentiment uit te drukken. Het tijdschrift van Linda de Mol is ook een voorbeeld. Duidelijk geïnspireerd door O, het tijdschrift van Oprah Winfrey. Linda mixt politiek en entertainment. Het ‘Dutch Dream’ themanummer van Linda over etnische integratie staat bijvoorbeeld bol van de retoriek van de Amerikaanse droom. Ook rapper Ali B eigent zich Amerikaanse popcultuur toe. Hij vertaalt de gettowereld van de Amerikaanse gangsta rap naar het leven op straat van Almere. Maar hij heeft het wel over reële kwesties zoals het geweigerd worden bij de disco. Het zijn vormen van culturele toe-eigening, manieren om een lokale of nationale culturele identiteit uit te drukken binnen de conventies van de popcultuur. Maar dan vaak met een al dan niet bedoelde knipoog. Net als bij karaoke.”

Maar dat móet dan toch onherroepelijk afdoen doen aan het authentiek Nederlander-zijn.

„Dat hoeft helemaal niet. We kunnen zelfs uiting geven aan onze nationale identiteit door Amerikaanse popcultuur te gebruiken. Showbizzprogramma’s zoals RTL Boulevard zijn duidelijk gebaseerd op Amerikaanse formats, maar juist zij vergroten de aandacht voor ‘onze eigen’ Nederlandse sterren. Hollywood en Amerikaanse popsterren worden overstemd door de berichtgeving over BN’ers als Jan Smit, Frans Bauer en Dries Roelvink. Het format is wellicht Amerikaans, maar de invulling is nationaal.

„Andersom is een programma als Big Brother ‘van ons’, maar het wordt nergens ter wereld gezien als een voorbeeld van ‘vernederlandsing’. Als het al gezien wordt als een buitenlandse invloed, dan als een vorm van veramerikanisering.”

Om als authentiek te worden ervaren moet je dus perfect kunnen imiteren?

„In de popcultuur gaat het erom iets te creëren dat de mensen als authentiek ervaren. Ook al is het dat niet. Een mooi voorbeeld is de Eiffeltoren in Las Vegas. Een kopie die net wat mooier, glimmender en toegankelijker is. En ook al weten ze dat het origineel in Parijs staat, voor de toeristen in Las Vegas is het echt. Hetzelfde bij Idols: daar worden kandidaten aangemoedigd om vooral ‘zichzelf’ te zijn. Alsof je als popster óóit jezelf zou kunnen zijn. Ze moeten zich juist zo presenteren dat hun fans dénken dat ze zichzelf zijn.

„Je ziet dat ook steeds meer in de politiek. De beste politici zijn degenen die het best de illusie kunnen wekken dat ze zichzelf zijn. Denk aan de traan van Hillary Clinton. Het feit van de traan is belangrijker dan de vraag of haar emotie echt was of niet. Bij een ‘absolute fake’ maakt dat niet meer uit. De traan heeft haar ‘echt’ gemaakt, zelfs als je denkt dat het gespeeld was.”

Bij de Amerikaanse politieke conventies van de afgelopen week zie je ook popcultuur: politieke theaterproducties, waarbij de verbeelding van de boodschap even belangrijk is als de boodschap. Dat bedoel ik ook als een klacht.

„Het is te makkelijk om spektakel af te doen als inhoudsloos. De VS hebben daarin een lange traditie. Het onderscheid tussen informatie en entertainment wordt niet zo hard gemaakt als bij ons. De Amerikaanse media benaderen het publiek als burgers en consumenten, die zowel geïnformeerd als vermaakt moeten worden. Cultuurpessimistische Europeanen zeggen dan dat het beeld de inhoud heeft verdrongen en dat het steeds meer spektakel wordt. Maar beeld en inhoud gaan samen. Dat wil niet zeggen dat je er niet kritisch naar moet kijken. Het spektakel van popcultuur kan heel manipulerend zijn. Alleen niet omdat het inhoudsloos is.

„Politici als Barack Obama gebruiken de technieken van de popcultuur om hun boodschap over te brengen, ook tijdens de conventies. De ‘change’ slogan van Obama lijkt holle retoriek maar weet wel degelijk mensen te inspireren.”

Die veramerikanisering vind ik hier het best merkbaar bij de partij van Rita Verdonk. De vlag, het volkslied, de nationale kleuren, de metafoor van de stuurman, de persoon als beeldmerk, flirten met nieuwe media...

„...het inzetten van celebrity’s zoals Sandra Reemer, de ballonnen die aan het eind van de speech naar beneden komen. Zeker. Ik zou de Trots-op-Nederland-toespraak op dezelfde manier willen duiden als Lee Towers. Ook Verdonk leek bijna een parodie. Het was zo’n expliciete imitatie van de Amerikaanse manier van campagne voeren dat haar waarschuwing voor buitenlandse invloed op onze ‘eigen’ cultuur wel heel ironisch werd. Authenticiteit is een zeer subjectief gegeven. De ene keer werkt het wel, de andere keer niet. Maar popcultuur is wel zeer verleidelijk en overrompelend.

„Denk bijvoorbeeld aan de ‘uitvaart’ van André Hazes in de ArenA waarbij dezelfde mediatechnieken werden toegepast. Een perfect popconcert, georganiseerd door zijn platenmaatschappij, live op televisie, met een effectieve reclamecampagne die resulteerde in de eerste nummer-1 hit van Hazes. De aanwezigheid van zijn kinderen maakte het helemaal ‘echt’.”

Bij de Wouter Tapes, een documentaire over de campagne van PvdA-leider Bos, werd ik getroffen door het geforceerde gedrag. Terwijl het juist een poging was om authentiek te zijn. De hoofdpersoon leek een partijleider na te doen.

„Terwijl men tevoren dacht dat het heel goed zou werken. Het past ook in de notie van ‘absolute fake’ – de hypergetrouwe kopie van het origineel. Je geeft opzettelijk openheid met de bedoeling om echt te zijn. Maar we weten van het sterimago van de filmster dat de scheiding tussen privé en publiek niet bestaat. De privépersoon is onderdeel van de constructie van het sterimago. Het is interessant om een vergelijking te maken tussen politiek en popcultuur.

„Je kunt de Wouter Tapes vergelijken met de In Bed With Madonna- documentaire. In beide gevallen worden conventies gebruikt om authenticiteit te suggereren. Je hebt een popster die speelt met de grens tussen publieke persoon op het podium en de privépersoon er achter. En dat zie je ook bij de politicus. Bij allebei weet je dat je uiteindelijk niet de echte persoon te zien krijgt. Dat het een constructie is. Politici functioneren ook binnen de popcultuur. Daarom is het nuttig om hen als popsterren te analyseren. Je kunt best Idols en politieke verkiezingen vergelijken: de kandidaten moeten het publiek ervan overtuigen dat zij authentiek zijn. Er worden dezelfde mediatechnieken gebruikt.”

De politicus als popster bij uitstek in Nederland was natuurlijk Pim Fortuyn.

„Hij was een mediapersoonlijkheid vanaf dag één. Ook in al z’n vorige functies. Nu speelt elke publieke persoon, dus ook elke politicus, een rol. Wim Kok presenteerde zichzelf als de degelijke jaren-50-huisvader, een rol die minister Donner, inclusief fiets, overnam. Fortuyn verschilde van hen omdat hij niet terugdeinsde voor deze mengeling van informatie en entertainment. Hij nodigde zonder enige schroom de roddelpers uit en liet zich in zijn badkamer fotograferen. Fortuyn accepteerde dat het onderscheid tussen het publieke en privéleven van de mediapersoonlijkheid niet opgaat. Deze discussie laait elke keer weer op als bekend wordt dat een politicus in zijn vrije tijd naar een tippelzone gaat of seksuele escapades in het fietsenhok beleeft. Dat is dan ‘privé’ en als de pers daar aandacht aan besteedt zijn het ‘Amerikaanse toestanden’ – een expliciete verwijzing naar Clinton en Monica Lewinsky. Maar in de huidige mediacultuur gaat het privéargument niet meer op. Net als de popster moet de politicus authentiek overkomen en het privéleven is daar een essentieel onderdeel van. Fortuyn begreep dat heel goed. Hij werd overigens pas echt een voorbeeld van amerikanisering na zijn dood. Hij werd de Nederlandse Kennedy – niet omdat hun politieke agenda’s overeenkwamen, maar omdat ook zijn moord gezien werd als het einde van de nationale onschuld.”

    • Folkert Jensma