De gespannen voet

Nederland, Utrecht, 01-08-08 Paul Schnabel © Foto Merlin Daleman
Nederland, Utrecht, 01-08-08 Paul Schnabel © Foto Merlin Daleman

Op iedere universiteit en hogeschool is de opening van het Academische Jaar altijd een beetje Prinsjesdag. Een plechtige zitting, een Bekende Nederlander als spreker en een troonrede van de rector of de voorzitter van het College van Bestuur, die er geen twijfel over laat bestaan hoe goed zijn universiteit is en hoe slecht het beleid van ‘Den Haag’. Daarna nog een ‘Io Vivat’ , althans dat is bij ons in Utrecht zo, en dan is het weer tijd voor de borrel. De dag daarna beginnen de colleges en wordt er weer gepromoveerd. Nu nog even niet, want ik schrijf dit op de avond voor het begin van het nieuwe academische jaar.

Gaat het goed met het hoger onderwijs in Nederland? Als je kijkt naar de studentenaantallen zeker. Meer dan 200.000 universitaire studenten en meer dan 350.000 HBO-studenten. Bij elkaar dus meer dan een half miljoen. Van de 18- tot en met 20-jarigen gaat nu ruim 20% naar de universiteit, toen ik ging studeren was het nog geen 5%. Goed, dat is veertig jaar geleden, maar de verandering en ontwikkeling sindsdien is toch des te indrukwekkender als je bedenkt dat van degenen die in die jaren geboren werden, nu meer dan een derde een opleiding op HBO-of WO-niveau heeft. De meisjes hebben het nu ook definitief gewonnen van de jongens, behalve dan in de pure bèta-vakken en in de techniek. Alleen daar zijn de jongens nog in de meerderheid. In de lagere rangen en ook als AIO hebben vrouwen inmiddels een belangrijk deel van de posten ingenomen, maar van de hoogleraren is toch nog pas 10% vrouw.

De verdeling van het onderwijs in bachelor- en masteropleidingen is in Nederland ook snel en voorspoedig verlopen, maar er is nog geen sprake van dat de universitaire bacheloropleiding ook als op zichzelf voldoende kwalificatie voor de arbeidsmarkt gezien wordt. Stiekem, in ieder geval onbedoeld, is via de BaMa-structuur de oude tweedeling kandidaats-doctoraal weer in ere hersteld, al wordt een éénjarige masteropleiding ook in internationaal verband wel met een kritische blik bekeken. Ook waar dat formeel niet het geval is, blijkt het in de praktijk toch steeds vaker om een tweejarige opleiding te gaan. Steeds vaker ook volledig in het Engels en dat trekt ook weer meer buitenlandse studenten. Mede daarom komen Duitse studenten graag naar Nederland, inmiddels zijn het er al meer dan 12.000.

Meer en meer mensen met een hogere opleiding, maar het is nog niet genoeg. In het kader van de Lissabonstrategie wil het kabinet dat uiteindelijk meer dan 50% van de beroepsbevolking een opleiding op HBO-of WO-niveau heeft. Sommige landen hebben dat punt al bereikt, maar anders dan in Nederland worden daar ook kortdurende (een of twee jaar) opleidingen, die in Nederland eerder als behorend tot het MBO worden beschouwd, tot het HBO gerekend. Het is een steeds weer terugkerend probleem: in EU-verband lijkt vaak hetzelfde te zijn wat toch verschillend is. Zo wordt ook de arbeidsparticipatie in Europa berekend vanaf één uur betaalde arbeid per week, terwijl het CBS in Nederland pas begint te tellen bij twaalf uur per week. Zouden we nu omwille van de Lissabondoelstellingen MBO-3 en -4 opleidingen tot het HBO gaan rekenen, dan doet zich meteen het klassieke onderwijs-trilemma voor. Toegankelijkheid, rendement en kwaliteit kunnen nooit allemaal tegelijk gemaximaliseerd worden. Kwaliteit vraagt om selectie en dus beperking van toegankelijkheid, terwijl rendement weer op gespannen voet staat met kwaliteit en vaak ook met toegankelijkheid.

In Nederland wil men op universitair gebied graag behoren tot de top van de wereld en dat willen dan ook alle universiteiten ieder voor zich. Op de verschillende wereldranglijsten komt – if any – hoogstens één Nederlandse universiteit bij de eerste vijftig voor. Zo staat Utrecht trots op plaats veertig of zo van de Shanghai-lijst. In de Verenigde Staten zijn 3.300 instellingen voor hoger onderwijs, maar er zijn niet meer dan 215 postgraduate-instituten en 100 ‘research universities’. Daarvan horen er een aantal tot de eerste tien of twintig van de wereld, maar de meeste rangeren toch een stuk lager. Universiteiten in niet-Engelstalige landen staan overigens op enkele eeuwige uitzonderingen na (de technische universiteit Zürich bijvoorbeeld) niet hoog op de lijsten. Nederland kenmerkt zich door een gemiddeld behoorlijk hoog niveau zonder een of twee echte toppen. Gezien de zeer egalitaire financieringsgrondslag is dat ook niet te verwachten.

Het rendement van het onderwijs wil men in Nederland ook graag verder omhoog hebben. Aan de universiteiten is het nu ongeveer 75% voor autochtone en 55% voor allochtone studenten, maar zonder meer inzet van geld en mankracht zal het niet veel hoger worden. In de geesteswetenschappen bijvoorbeeld is de staf-studentratio in de afgelopen jaren alleen maar slechter geworden en ligt nu bij ongeveer één medewerker per 40 studenten. Vergemakkelijking van de toegang tot de universiteit leidt bij gelijkblijvende inzet van middelen onvermijdelijk tot verlaging van rendement en kwaliteit. Uit onderzoek blijkt al dat de mogelijkheid om na één jaar HBO over te stappen naar de universiteit tot een verlaging van het rendement leidt.

Hoewel op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek Nederland internationaal hoog genoteerd staat, geven we er relatief weinig geld aan uit. Overheid, fondsen en bedrijfsleven samen komen nog niet tot 2% van het BBP, terwijl een land als Zweden al op 4% uitkomt. Het kabinet wil al in 2010 een stijging tot 3% van het BBP voor research and development zien, maar ik vraag me af of dat wel realistisch is. Het is bovendien de vraag of het geld dan ook geplaatst kan worden, want er moeten dan ook voldoende onderzoekers, laboratoria en onderzoeksfaciliteiten zijn. Dat kost tijd en de tijd werkt hier juist de andere kant op, omdat ook aan de universiteiten in de komende jaren een grote uitstroom van met pensioen gaande babyboomers te verwachten is. Voor hen staan niet onmiddellijk voldoende opvolgers in de startblokken. Ook van de gepromoveerden heeft in de afgelopen twintig jaar maar een klein deel blijvend werk gevonden aan de universiteiten. Dat wreekt zich in de komende jaren.

Ongetwijfeld zal op het dreigende kwalitatieve en kwantitatieve tekort deze week weer met nadruk gewezen worden en vast zal iemand er ook wel aan herinneren dat China een half miljoen ingenieurs per jaar produceert. Ze zijn ook met bijna honderd keer meer.