De ereschuld van de gemeente Alkmaar

In het artikel `De joodse gemeenschap wil haar sjoel graag terug` (NRC Handelsblad, 23 augustus) wordt gesproken over de Alkmaarse synagoge. In de jaren `40, `41, `42 hebben de Alkmaarse burgemeester, gemeenteambtenaren en politieagenten (gedwongen of niet gedwongen ) de bevelen van de Duitse bezetter uitgevoerd. De gegevens van de joodse inwoners van Alkmaar werden keurig door Alkmaarse ambtenaren aangeleverd. Burgemeester van Kinschot stuurde hun een brief waarin gewezen werd op de ”Aanmeldingsplicht van personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede”. Toen de joodse inwoners begin maart 1942 de stad moesten verlaten met achterlating van al hun bezittingen, controleerden Alkmaarse politieagenten of niet meer werd meegenomen dan toegestaan. Bij het station liepen politieagenten in uniform en burger rond. Het politierapport vermeldde dat de evacuatie vlot was ver lopen en er geen verzet was geboden.

Wat wil je. Er liepen ook gewapende Duitse soldaten rond. De mensen stonden netjes met hun schamele bezittingen in de rij. Ik was toen 14 jaar en stond erbij aan de overkant op de Stationsweg en keek er naar, niet beseffende wat het lot van deze mensen zou zijn. De synagoge werd in de verdere oorlogsjaren door Alkmaarders leeggeroofd. Begrijpelijk, want alles wat brandbaar was, kon goed worden gebruikt. Al deze gegevens en nog veel meer trieste verhalen zijn te vinden in het boekje De geschiedenis van joods Alkmaar.

De gemeente Alkmaar heeft een ereschuld en dient alles in het werk te stellen om de joodse gemeenschap weer in het bezit te doen komen van de totale synagoge.