Bloedbanden

Dezer dagen wordt Parijs eindelijk weer een stad. De winkels en cafés in mijn buurt, die heel augustus gesloten waren, gaan één voor één weer open. De buren in ons hofje druppelen binnen, met gezonde koppen van hun maand op de boerderij van oma. Velen ervaren la rentrée als een verlossing, want de Franse zomervakantie is iets extreems: een maand lang opgesloten met je eigen familie.

Elk rijk land heeft zijn eigen manier van vakantie vieren (behalve Japan, waar vakanties amper bestaan, en de VS, waar ze alleen voor kinderen in zomerkampen bestaan). Overal worden mensen van kinds af aan door de nationale vakantiestijl gevormd. Mede vanwege vakanties zijn Nederlanders bijvoorbeeld zo anders dan Fransen.

Mijn vader vond het als antropoloog altijd leuk om Nederlanders als spirituele Scandinaviërs te contrasteren met Zweden. (Voordat we in 1976 naar Leiden verhuisden, hadden we even in Gotenburg gewoond.) ‘Kijk eens hoe ze vakantie vieren’, zei hij dan. ‘Het Zweedse vakantie-ideaal is alleen zijn, op een eiland, het liefst naakt. Maar Nederlanders gaan met zijn allen in grote toerbussen op reis. En Nederlanders drinken samen in cafés, terwijl Zweden zich liever alleen in stilte met wodka bezatten.’

Zodra je Nederlanders met Fransen vergelijkt, valt als eerste op wáár ze het liefst vakantie vieren: namelijk allebei in Frankrijk. Slechts zo’n 15 procent van de Fransen (zo’n negen miljoen mensen) viert zijn zomervakantie over de grens. De rest blijft in Frankrijk, in de wetenschap dat het elders overal minder is. De meeste Nederlanders (eveneens zo’n negen miljoen mensen) gaan ’s zomers echter wel naar het buitenland, waarbij Frankrijk (terecht) de favoriete bestemming is.

Vakanties maken Fransen dus nog Franser. Ze gaan zelden naar steden, het liefst naar het strand, de bergen of de boerderij, en zwelgen dus een maand lang in een soort Blut und Boden-belevenis waarbij ze hun Boden in de vorm van wijn zelfs opdrinken. Fransen vertellen bovendien gaarne dat ze een bloedband hebben met hun vakantiestreek – ‘Oma kwam hiervandaan’ – hoewel dat vaak niet geheel waar blijkt te zijn. Ook Italianen en Spanjaarden benutten hun vakanties om de relatie met het eigen land te verdiepen.

Maar Nederlanders hebben zelden nog zo’n bloedband met een Nederlandse streek. Het nieuwste boekje van Youp van ’t Hek, Droomzomers, is een mooie ode aan zijn jaarlijkse kindervakanties in Egmond aan Zee, maar het is een verhaal van een verloren tijdperk.

Omdat de Nederlandse bevolking in de twintigste eeuw in een soort derdewereldtempo groeide, zijn de streken sowieso volgebouwd met doorzonwoningen. Daarom werd Egmond vervangen door de Rivièra. Zo maken vakanties Nederlanders tegenwoordig tot wereldburgers. Ook kleine kinderen leren in de boulangerie ‘une baguette’ te bestellen, of zoenen op het strand met zo’n vroegrijp Engels kind. Engelsen en Duitsers hebben namelijk ongeveer dezelfde vakantie-ervaringen als Nederlanders. Gedrieën hebben ze sinds de jaren zestig grote lappen Frankrijk en Spanje gekolonialiseerd.

Een vakantie wordt daarmee een jaarlijkse familiecursus in globalisering, die de kinderen later met hun eigen kinderen overdoen. Dat Nederlanders en Engelsen veel minder bang zijn dan Fransen voor globalisering heeft allerlei oorzaken, maar de zomervakantie telt zeker mee.

Simon Kuper is schrijver, columnist en auteur van Retourtjes Nederland