Bij de glasbak

Tegenover mij woont een man die regelmatig naar buiten komt om flessen in de flessenbak te gooien. Hij steekt een vuist in de lucht en scandeert ‘Joden, joden!’ Het ‘jo’ iets hoger dan het ‘den’, zoals Ajaxfans dat gewoon zijn. Alleen roepen de meeste Ajaxfans dat als ze met z’n duizenden zijn, en bovendien dronken, en trouwens ook alleen in de context van een voetbalwedstrijd.

Mijn overbuurman vindt dit allemaal overbodige randvoorwaarden. Je kunt best in je eentje, op weg naar de glasbak, een beetje ‘joden, joden’ roepen met je vuist in de lucht. Ondertussen kijk je om je heen of iemand je wel ziet, maar met een blik alsof het je niet kan schelen wat anderen er van vinden.

De man heeft meestal een joggingpak aan in de kleuren paars of mint. Zijn haar is een soort uitgegroeid permanent. Het zou kunnen dat zijn haar van nature de uitgegroeide permanent-look heeft, dat is van een afstandje moeilijk te zien.

Afijn, laatst kwam hij weer naar beneden met een tas met flessen. Ik stond toevallig ook buiten, mijn fiets los te maken. ‘Joden, joden’, zei hij. Omdat ik dichtbij was, had hij blijkbaar niet het gevoel dat hij hard hoefde te roepen.

Tegelijkertijd kwam er een toeristenkoppel de straat in gelopen. Het waren actieve zestigers met matching windjacks en wandelschoenen waar je ‘ook nog best mee in een restaurant kunt zitten’ (ergo: Mephisto’s).

Het koppel was duidelijk verdwaald, want wat moesten ze anders in mijn buurt? Het Anne Frankhuis is ver, en het Rijksmuseum ook. De plattegrond was al uit de rugzak gehaald, de blikken gingen al richting paniek. Na een kort overleg zag je dat ze het besluit namen: de weg zou gevraagd moeten worden. De straat was bijna leeg. Alleen ik stond nog steeds bij mijn fiets, en de ‘joden, joden’-man was, al scanderende, fles na fles in de glasbak aan het gooien.

Ik bereidde me al voor op mijn rol als gids, zo een die meteen de hele stad een beetje leuker maakt voor de verdwaalde toerist (‘But the Anne Frankhouse is less crowded just before closing time!’ – en dat ze dan thuis vertellen dat de mensen in Amsterdam zo aardig zijn. En dat dat dan uitsluitend gebaseerd is op het contact met mij!).

Het echtpaar overlegde nog even en toen stapte de man dapper op ons af.

Op dat moment gebeurde er iets uiterst verontrustends. Namelijk: de toerist wendde zich zonder aarzelen tot de ‘joden, joden’-man en vroeg hoe hij naar het centrum moest komen. Aan de ‘joden, joden’-man! Niet aan mij, terwijl ik ernaast stond! De vraag drong zich direct op: wat heeft de overbuurman dat ik niet heb? Er was maar één treurige conclusie mogelijk: blijkbaar stel ik me van nature zo afwerend en naar op, dat een nietsvermoedend echtpaar liever in zee gaat met een totale gek dan met mij.

En natuurlijk, als ik dit verhaal vertel, heeft iedereen wel een of andere geruststellende uitleg (‘Als ze buitenlands waren, hoorden ze ook niet dat hij “joden, joden” zei’). Maar dat doet er niets aan af. Het Mephisto-echtpaar moest me niet. Ik voelde dat ik weken nodig zou hebben hier overheen te komen.

Ondertussen legde de ‘joden, joden’-man accuraat en aardig uit waar het echtpaar heen moest.

Paulien Cornelisse is schrijfster en cabaretière