Terugkijken door een telelens

Geen schrijver heeft zo’n scherp oog voor de littekens van zijn personages als Jens Christian Grøndahl.

Om er vervolgens het mes in te zetten.

De 48-jarige architecte Ingrid Dreyer staat op het punt haar hotelkamer in Stockholm achter zich dicht te trekken op weg naar een zakendiner, als de telefoon gaat. De politie van Kopenhagen meldt haar dat haar vijftienjarige zoon is gearresteerd wegens mishandeling van een allochtone jongen. Ze pakt haar koffers en neemt de nachttrein terug naar huis.

Zo begint De tijd die nodig is, de nieuwe, grote roman van de Deense schrijver Jens Christian Grøndahl. Het is een boek dat naadloos aansluit bij de stijl en thematiek die we van hem kennen. Niets komen we dus te weten over het hoe en waarom van de mishandeling, waar die zich afspeelde, wie het slachtoffer nu precies was of hoe justitie oordeelde. Het incident wordt niet verbreed naar een maatschappelijk probleem of bekeken vanuit een breder perspectief. Nee, volgens typisch Grøndahliaans recept is dit incident aanleiding voor een terugblik, een nauwgezette analyse van Ingrids leven tot dan toe, in een poging precies boven water te krijgen hoe dat leven eruit ziet, welke keuzes ze maakte, wie ze precies is en hoe het zo ver heeft kunnen komen.

‘Verhalen vertellen is verbonden met een gevoel van verlies’, schreef Grøndahl in zijn essaybundel Drie stappen achteruit. Op het moment dat je iets definitief hebt verloren, ga je de balans opmaken, onderzoeken wat de weg tot daar is geweest en beginnen aan je verhaal. Dat van Ingrid gaat ver terug, ver vóór de geboorte van haar zoon – van het verhaal van haar moeder, een bekend journaliste, tot aan dat van haar grootmoeder, die een bekend schrijfster was. Levens die bol staan van hooggespannen verwachtingen en ambities, gekleurd door teleurstelling en scheidingen, levens waarin kinderen ‘te veel’ zijn.

Had ze ‘de morele ontsporing van haar zoon kunnen voorkomen door in haar huwelijk te blijven’, vraagt Ingrid zich af. Heeft ze wel genoeg van haar zoon gehouden? Ingrid had zich voorgenomen uit die verdoemde keten te stappen die haar moeder en grootmoeder begonnen waren, de keten van scheiding en verlies, haar eigen leven moest anders worden. Haar grootmoeder verliet haar eerste man voor ‘de liefde van haar leven’, die zelfmoord pleegde toen zij in een bestseller haar overspelige liefdesleven uit de doeken deed. Haar moeder verliet man en dochter om ‘zichzelf te worden’ en verhuisde naar Rome. Maar uiteindelijk, zo concludeert Ingrid bitter ‘past ook in haar leven niets bij elkaar. Haar vroegere ik past niet bij degene die ze is geworden en bij hoe alles is uitgevallen.’

Op haar 48ste beseft Ingrid – wederom een weinig sympathiek personage, net als de hoofdpersoon van bijvoorbeeld Hartslag – dat ze de belangrijkste keuzes in haar leven heeft gemaakt, ‘dat ze het stadium voorbij is waarop de open leegte aan mogelijkheden het grootst en meest veelbelovend was. Er is alleen leegte over’. Ze is een kind van de jaren zestig, toen het individu meende onbeperkte vrijheid voor zelfontplooiing op te kunnen eisen.

‘Heeft de achterkant van de vrijheid littekens op de plek waar je je hebt losgerukt uit het sociale verband dat je eigenzinnigheid in bedwang hield?’ Het is een vraag die Grøndahl stelde in zijn essaybundel en waarop hij in zekere zin in deze roman antwoord geeft. Die littekens zijn er, hij spoort ze op met het oog van een onfeilbare chirurg, bevoelt de contouren, teder maar vastberaden, alvorens het mes erin te zetten.

Dat onbeperkte geluk bleek een illusie. Ingrid heeft het gezocht en ernaar gehandeld in zaken van het hart (‘ze wilde Anders tot ze hem niet meer wilde’) en op de carrièreladder. Maar ze is gewond geraakt, haar keuzes hebben haar morele bewustzijn ondermijnd, haar verantwoordelijkheidsgevoel gedeukt. Ze koestert schuldgevoelens ten opzichte van haar zoon, haar ex-man en zelfs ten opzichte van haar moeder en grootmoeder. ‘Haar mobiel zendt uit in een wereld waarvan ze de sleutel niet meer heeft’. Had ze met haar scheiding niet moeten wachten tot haar zoon wat ouder was? Had ze haar jaloezie ten opzichte van haar moeder, die haar eigen moeder zo adoreerde, niet toch de baas gekund? Had ze haar getrouwde minnaar niet eerder voor een keus moeten stellen? Ook zij heeft aan de keten van scheiding en verlies van moeder op dochter geen einde kunnen maken, ‘haar leven naar een verzande, doodlopende straat geleid’.

Als topchirurg van de menselijke ziel legt Grøndahl dit hele proces bloot. Een schrijver die over een dergelijk psychologisch instrumentarium beschikt om complexe emoties te verwoorden is een zeldzaamheid. Zenuw na zenuw wordt ontbloot, onderhuidse verlangens en frustraties met een pincet gevat, drijfveren onder de loep gelegd – zonder daarbij een blik te werpen op de operatiekamer waarin dit alles plaats heeft.

Aan de intensiteit van deze roman is te zien dat hij de basis ervoor in slechts vier maanden heeft geschreven én dat het verhaal heel dicht tegen zijn persoonlijke ervaringen aanschuurt. Hij schreef, geheel in de Scandinavische traditie van het intieme, een scherp portret van de verwende, beschaafde, maar ongelukkige westerling die het zich in al zijn welvaart én in zijn wanhoop kan permitteren zich diep over zijn eigen gevoelens te buigen en de buitenwereld buiten te sluiten.

Op de laatste bladzijden laat Grøndahl die gewelddadige wereld van vóór de buitendeur ineens, als donderslag bij heldere hemel, binnenvallen en ontstaat er een parallel met Saturday van Ian McEwan. Met die plotselinge doodsangst doorbreekt Grøndahl de ban waarin hij zijn lezer honderden pagina’s wist vast te houden. Die kunstgreep was wat mij betreft niet nodig geweest. Het verhaal van het verlies was al verteld – en hoe!

Jens Christian Grøndahl: De tijd die nodig is. Vertaald door Annelies van Hees. Meulenhoff. 319 blz. € 24,90