Tussen Stalin en Abramovitsj

Rusland is meer een probleem voor het Westen dan voor de wereld. En een probleem dat de Verenigde Staten, noch de NAVO, noch de Europese Unie zomaar naar hun hand kunnen zetten. De één wil Rusland met fluwelen handschoenen als een psychiatrische patiënt behandelen, de ander weigert zelfs rekening te houden met de psychologie van een land dat zich – in de woorden van premier Poetin – door het verdwijnen van het Sovjetrijk slachtoffer voelt van „de grootste geopolitieke tragedie van de twintigste eeuw”.

Het Westen ontbreekt het aan eensgezindheid en instrumentarium. De Europese Unie zal diehards en Realpolitiker niet onder één noemer kunnen krijgen. Bovendien – en belangrijker nog – ontbreekt een eigentijdse receptuur voor de omgang met Rusland. Het lijkt erop dat zich een wonderbaarlijk ouderwetse arbeidsdeling tussen formele overheden en andere sectoren van de samenleving voordoet: overheden mogen overheidsstraffen bedenken. Dus Rusland niet in de Wereldhandelsorganisatie, Medvedev niet bij het G8-diner, enz. enz.

De rest wil ongestoord zijn gang gaan. De moderne werkelijkheid van Rusland is echter dat de kwetsbaarheden in de elitesector liggen. Je zag vorige maand nota bene een kapitaalvlucht uit Rusland.

De Russische elite wil twee dingen tegelijk die op den duur niet vallen te combineren: heersen als Stalin en leven als Abramovitsj. En wat dit laatste betreft vormen de Franse zuidkust, Marbella en meer nog Londen evenzoveel paradijsjes. Miljardairs uit de Moskouse oligopolies zijn er welkom, worden fiscaal in de watten gelegd en mogen koning spelen. Hun paspoort is geen aanleiding nog eens extra te kijken waar al dat geld vandaan komt, maar om extra rode lopers uit te leggen. Uitgerekend Britse eisen, eergisteren in Brussel, voor harde maatregelen tegen Rusland kunnen maar beter als een bijzonder geval van humor worden beschouwd.

De Russische elite wil meer tot het Westen horen dan de harde taal van Poetin en de zijnen verraden. Fora te over, kortom, om Russische baronnen in aanraking te brengen met de subtiliteiten van moderne publieke diplomatie.

Vorige week wreef de Aziatische intellectueel en ex-diplomaat Kishore Mahbubani op deze pagina iedereen hier nog eens fijntjes in dat het drama rondom Georgië een mooi actueel voorbeeld is van zijn stelling dat de wereld allang niet meer alleen de wereld van het Westen is: het Westen waarschuwt, dreigt en „staat alleen in zijn opvatting dat de wereld de underdog, Georgië, zou moeten steunen tegen Rusland”. Dat is natuurlijk juist. We zijn er inmiddels getuige van hoe Russische troepen belangrijke kruispunten in Georgië gewoon bezet houden en de kleine Kaukasusrepubliek hiermee min of meer weer toevoegen aan het Russische domein. Om in deze situatie Georgië lid te laten worden van de NAVO betekent oorlog of een bevestiging van het feit dat de organisatie een wassen neus is. Het zit er dus voor Georgië voorlopig niet in.

In zijn analyse heeft Mahbubani gelijk – het Westen doet iets fout wanneer alle problemen van de wereld – van Midden-Oosten, fundamentalisme tot broeikasgassen – zich manifesteren als problemen van het Westen. Een vraagteken kun je daarentegen zetten bij Mahbubani’s optimisme over China’s vaardigheid tot mondiaal leiderschap. China zwijgt, profiteert, verschuilt zich in de Veiligheidsraad graag achter andere staten en manifesteert zich primair als de kampioen van de niet-inmenging en de onaantastbare soevereiniteit van staten. Soft power is weliswaar een modewoord in het buitenlandspolitieke establishment van Peking – ruan quanli – maar dat betekent toch vooral dat landen als Soedan, Iran, Birma, Zimbabwe, Oezbekistan, Kazachstan en Angola economische steun en wapens krijgen zonder voorwaarden vooraf. Het criterium is vrij simpel: dient het Chinese belangen?

Over Georgië doet China er het zwijgen toe. Op een paar gemodereerde websites laten de autoriteiten Chinezen schamperen over Bush en het commentaar van de China Daily merkt betrekkelijk algemeen op dat „het tijdperk waarin Europa en Amerika de spelregels bepaalden, op een eind loopt”.

In de Tadzjikistaanse hoofdstad Dushanbe – ver weg van de wereld van het politieke entertainment van de Obama-conventie – zette de Chinese president Hu Jintao vorige week zijn handtekening onder een tekst waarin onder meer stond te lezen dat hij „de positieve rol van Rusland ter bevordering van vrede en stabiliteit in de regio steunt”. Het was een saaie bijeenkomst, van saaie mannen, in saaie pakken – dus geen onderwerp voor de televisiejournaals en hun kinderlijke geschakel naar Denver. Maar voor de verhoudingen in de wereld wel zeker zo belangrijk.

Bij de Kaukasuslanden van Centraal-Azië speelt nog iets anders. Gezien de energievoorraden daar – gas voornamelijk – is het gebied na het Midden-Oosten een tweede geopolitieke hotspot aan het worden. China weet tot nu toe met succes buiten het luidruchtige getouwtrek om invloedssferen te blijven dat Rusland en het Westen ten tonele voeren en weet ondertussen lucratieve afspraken te maken met de meer autoritaire regimes in het gebied. Het zwijgt bijvoorbeeld ook nu Rusland op eigen houtje Zuid-Ossetië en Abchazië als zelfstandige staten heeft erkend, hoewel China tegen dat soort manoeuvres normaliter altijd fel gekant is wegens eigen aanspraken op Tibet, Taiwan en Xinjiang.

Dus blijft Georgië (en straks de Krimhavens?) een westers probleem. En staan Europese en Amerikaanse politici betrekkelijk machteloos aan de zijlijn. Maar mogelijkheden tot beïnvloeding zijn er voor de civil society te over: de Russische elite kijkt en koopt niet oost- maar westwaarts. Stuurt zijn kinderen naar universiteiten hier, haalt managementkennis hiervandaan.

Wie Abramovitsj wil spelen, zal afscheid moeten en uiteindelijk willen nemen van Stalin.

Reageren kan op nrc.nl/knapen