Zelfs de ongenaakbaarste sterren zijn nerveus

Ondanks de vrolijke taferelen rond de rode loper, heerst somberheid in Venetië. Waarom is het zo moeilijk om goede films te vinden? En was het vroeger dan veel makkelijker?

Charlize Theron gaat op de foto met een Italiaanse fan voor de première van ‘Burning Plain’ Foto Reuters A fan takes a self portrait of him with South African actress Charlize Theron as she arrives for the red carpet at the Venice Film Festival August 29, 2008. REUTERS/Max Rossi (ITALY) REUTERS

Tien uur ’s ochtends en tegen het dranghek voor de rode loper zit al een Italiaanse jongen met een bord ‘Charlize, you are amazing!’ Dat is voor Charlize Theron, een van de hoofdrolspeelsters uit Burning Plain die in première gaat op het festival van Venetië. De film zal vanavond om zeven uur in het Palazzo del Cinema worden vertoond, dus moet de jongen nog zeker achtenhalf uur geduld hebben eer Charlize over de rode loper schrijdt – en als hij geluk heeft haar oog op zijn liefdesverklaring laat vallen.

Tot zover niks bijzonders. De fans, de sterren en de rode loper met de imposante gevleugelde leeuwen die door de buitenmuur van het filmpaleis lijken te breken – dat is de glamour waar de grote filmfestivals het van moeten hebben. En Venetië is het oudste van de grote festivals, ouder dan Cannes en ouder dan Berlijn.

Maar hoe blauw de lucht ook is, hoe hard de fans ook gillen, de filmwereld die jaarlijks in de nazomer voor twaalf dagen neerstrijkt op het Lido, is dit jaar nerveus, prikkelbaar en somber. Je leest het in de kranten en de vaktijdschriften, je hoort het van de organisatoren, journalisten zeggen het elkaar na en zelfs de schijnbaar ongenaakbare filmsterren praten erover in de tientallen interviews die hier worden gegeven. De auteursfilm wordt dood verklaard. Festivals à la Venetië zouden op sterven na dood zijn en de Amerikaanse independent-film doodziek.

Waar komt die zwartgalligheid vandaan? En waarom ontlaadt die zich juist nu boven het Lido?

De laatste vraag is het makkelijkst te beantwoorden. Venetië is al jaren een tobbend festival. Cannes is dé sterrenmagneet, het Wimbledon van de film. Berlijn heeft zijn deuren wijdopen gezet voor de Amerikaanse filmstudio’s. Venetië zit daar tussenin, met steeds zwaardere concurrentie van Toronto, waar volgende week het filmfestival begint en dat net als Venetië mikt op een algemeen programma van hoogwaardige premières.

Je ziet het getob terug in de Venetiaanse programma’s. Directeur Marco Müller, vorig jaar herbenoemd voor nog eens vier jaar, heeft weinig grote Amerikaanse films binnengesleept, op de openingsfilm Burn After Reading van de gebroeders Coen na. Hij heeft daarentegen maar liefst vier Italiaanse films geprogrammeerd in de competitie.

In de festivalkrant noemt Müller tien categorieën voor ‘onontbeerlijke’ films en de tiende is ‘belangrijke Italiaanse films’ – een wonderlijk criterium voor het internationale festival dat Venetië zegt te zijn.

Maar de ernst waarmee een en ander wordt doodverklaard is geen gevolg van Müllers keuzes. Er is een aantal ontwikkelingen dat in dit jaar samenkomt. Sommige zijn economisch van aard, andere meer symbolisch, zoals de vrijwel gelijktijdige dood van twee erkende filmauteurs vorig jaar: Ingmar Bergman en Michelangelo Antonioni. Met hen verdween de categorie die sinds de late jaren vijftig de cinema en festivals als Venetië had gedomineerd: de auteursfilm, de film als uitdrukking van het kunstenaarschap van een groot regisseur. Jaar in jaar uit konden festivals bijna met de ogen dicht films selecteren van filmers als Fellini, Buñuel, Kurosawa. Dat was al decennia niet meer zo, maar de dood van de Zweed en de Italiaan hebben dat tijdperk bezegeld.

Al hebben de genoemde regisseurs in hun gloriejaren een veel groter publiek bereikt dan de arthouse-filmers van nu, zoals Lars von Trier, Jim Jarmusch, Pedro Almódovar, voor het grote publiek was de auteursfilm nooit een belangrijke categorie. Integendeel, de Utrechtse bioscoopexploitant J. Wolff, gepromoveerd op de economie van de film, heeft eens een staatje laten zien met twee gelijktijdige ontwikkelingen: de opkomst van de auteursfilm en de dramatische terugval van het bioscoopbezoek in Europa. Er gaan altijd meer mensen naar de bioscoop omdat ze Charlize Theron amazing vinden dan om de nieuwe film van Abdel Kechiche te zien.

Een recente ontwikkeling in de Amerikaanse filmwereld heeft ook invloed op de stemming in de festivals. Na een reeks onverwachte succesvolle independent-films als Sideways en Lost in Translation hebben grote studio’s snel een eigen ‘independent’-poot opgericht. En omdat ze het vrijwel allemaal tegelijk deden, hebben ze de markt verpest. De budgetten gingen omhoog, de inkomsten liepen terug, (economisch) succes bleef uit en dus hebben studio’s als Warner en Paramount hun artistieke tentakels al weer ingetrokken. Daardoor is het voor kleinere films met artistieke pretenties moeilijker te worden verkocht en gefinancierd. Dus worden er minder gemaakt.

Tilda Swinton, de Britse actrice die in Hollywood vaste voet aan de grond heeft gekregen, vindt het een „nasty trend”, maar ze is ervan overtuigd dat de studio’s op hun besluiten terugkomen. „Er publiek voor intelligente films”, zei ze deze week in een interview ter gelegenheid van haar rol in Burn After Reading. Eerder deze maand heeft ze een filmfestivalletje in noord-Schotland georganiseerd. „We hadden in een visserdorp een bingohal gehuurd, een goede beamer neergezet en dvd’s vertoond van Die bittere Tränen der Petra von Kant, Paradzjanov, Bergman, Singing in the Rain. Lange rijen met oude vissersvrouwen en scholieren.’’

Alle genoemde factoren laten zien wat dan wél het probleem is voor investeerders, vertoners, bioscoopexploitanten, festivalorganisaties én filmjournalisten: de onzekerheid waar de volgende goede film vandaan zal komen. Dan zijn de problemen misschien minder ernstig dan ze nu in Venetië lijken. We hoeven alleen beter te kijken.