Zachte feiten, harde lading

De vier kinderen van Fatima en Farid werden tien maanden geleden uit huis geplaatst. Ze werden volgens Jeugdzorg bedreigd in hun ontwikkeling.

Fatima en Farid B. bij foto’s en tekeningen van hun vier uit huis geplaatste kinderen Foto Merlin Daleman Nederland, Rotterdam, 28-08-08 Familie Bounadir. © Foto Merlin Daleman De vier kinderen van Fatima en Farid werden tien maanden geleden uit huis geplaatst. Ze werden volgens Jeugdzorg bedreigd in hun ontwikkeling. Daleman, Merlin

Op 15 november 2007 ging ’s middags bij de familie B. de bel. Toen Fatima de deur opendeed, schrok ze. Er stonden twee politiemensen en twee vrouwen voor haar. „‘Wij komen uw kinderen ophalen’, zeiden ze.”

Fatima (34) en Farid (41) B. hebben vier kinderen. Toen ze opgehaald werden, was de jongste dochter drie maanden oud. Hun zoontjes S. en N. waren drie en acht jaar en hun oudste dochter I. was dertien. Fatima en haar man wisten dat Jeugdzorg zich al een tijdje zorgen maakte. Maar dit kwam als een verrassing. De paniek was groot. Fatima liep heen en weer door het huis. Ze wilde haar baby nog de borst geven voordat ze haar meenamen. Dat was volgens de vrouw van de kinderbescherming niet nodig. Verschonen mocht ook niet, maar ze deed het toch. De driejarige S. greep zich schreeuwend vast aan de salontafel. Maar hij moest mee. En toen was het stil in huis.

Fatima belde haar man, die groenten verkoopt op de markt in Den Haag. „Ze hebben de kinderen meegenomen”, zei ze. „Ik geloofde haar niet”, zegt Farid nu. Hij en zijn oudste dochter I., die die middag bij hem op de markt stond, kwamen meteen naar huis. Even later kwam Jeugdzorg ook I. ophalen.

Drie weken lang vertelden Farid en Fatima aan niemand wat er was gebeurd. Uit schaamte. De eerste vier weken was met de kinderen geen enkel contact mogelijk.

De kinderen werden weggehaald omdat Jeugdzorg vermoedde dat zij thuis werden ‘bedreigd in hun ontwikkeling’. In hoeverre dit vermoeden juist was, wilde de kinderrechter bepalen aan de hand van verder onderzoek. Maar dat onderzoek liet vier maanden op zich wachten. Farid en Fatima werkten er aanvankelijk uit wantrouwen niet aan mee.

Ervan overtuigd dat de familie slachtoffer was van vooroordelen tegen allochtonen, eiste de advocaat eerst de toezegging van de rechter dat de onderzoekers rekening zouden houden met culturele verschillen. En dat kostte tijd. Pas volgende maand, als het onderzoek af is, gaat de rechter de zaak opnieuw bekijken. Dan zijn de kinderen inmiddels bijna een jaar uit huis.

N. (nu 9) werd wegens gedragsproblemen al snel overgeplaatst van een open naar een gesloten inrichting. I. (nu 14) kwam in een opvanghuis en de jongste twee werden geplaatst in pleeggezinnen. S. (nu 4 jaar) moest de afgelopen tien maanden vier keer aan een nieuw pleeggezin wennen.

Vorig jaar waren 29.000 kinderen op gezag van de rechter onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, bijna 3.000 meer dan in 2006. Lang niet al die kinderen worden uit huis geplaatst, maar ook die groep groeit, zeggen deskundigen. Die toename wordt wel het ‘Savanna-effect’ genoemd. Het driejarige meisje Savanna overleed in 2004 nadat ze stelselmatig was mishandeld door haar moeder en stiefvader. Haar voogd gaf de moeder telkens weer een kans. De zaak leidde ertoe dat Jeugdzorg zich nu meer concentreert op de belangen van kinderen en minder op die van ouders. Volgens advocaat D. van den Hoogen, die veel familierechtszaken doet, geven rechters tegenwoordig sneller machtigingen af voor uithuisplaatsing dan vroeger. „Ze willen geen enkel risico meer nemen”, zegt zij. Hoogleraar pedagogiek D. de Ruyter aan de VU ziet een ‘pendulebeweging’ in het beleid. „Als reactie op de woede in de samenleving over de dood van kinderen als Savanna nemen ze eerder het zekere voor het onzekere”, zegt zij.

Farid en Fatima leven nu met zijn tweeën in hun vierkamerflat in Rotterdam. In de woonkamer hangen en staan portretten van de kinderen. Op het dressoir liggen onder een glasplaat hun tekeningen. ‘Love you 4 ever’ staat op een hartje dat I. voor haar ouders heeft geknutseld. Uit een kast haalt Fatima een stapel papieren tevoorschijn. Maar liefst drie zwemdiploma’s behaalde I., vertelt ze.

Op de salontafel ligt een ansichtkaart met ‘vakantiegroetjes van S.’ Hij ging deze zomer met zijn pleegouders naar Spanje, vertelt Farid. Tijdens het gesprek dept hij regelmatig een traan. In wat gebrekkig Nederlands vertelt hij dat hij zich de eerste weken nadat de kinderen weg waren gehaald geen raad wist. Overal waar hij keek in huis, werd hij aan hen herinnerd. Door schoenen, een jasje, speelgoed. Vroeger ging hij boodschappen halen en kocht hij cadeautjes voor de kinderen. Voor wie moest hij nu iets kopen? Zijn werk op de markt ging ook niet meer omdat hij steeds moest huilen. Fatima zat alleen nog op de bank voor de televisie.

Langzaam pakken ze de draad weer op. Maar ze weten nog niet waar hun twee jongste kinderen wonen. Het zijn wel aardige mensen die voor hun kinderen zorgen, zeggen Fatima en Farid. De pleegvader van S. belde bijvoorbeeld op uit Spanje om te zeggen dat ze daar veilig waren aangekomen.

Farid en Fatima mogen ieder kind inmiddels wekelijks zien. ‘Contactmomenten’ heten die ontmoetingen in zorgjargon, ze duren negentig minuten. I., de oudste, mag sinds een tijdje elk weekend weer thuis logeren. Maar of Farid en Fatima hun kinderen ook zelf zullen mogen opvoeden, hangt af van de rechter.

In het vertrouwelijke dossier over het gezin B. dat in het bezit is van deze krant staat niet dat Farid en Fatima hun kinderen hebben mishandeld, misbruikt of verwaarloosd. Ze zijn niet verslaafd en hebben een stabiel huwelijk. Wel blijkt dat ze zich geen raad wisten toen hun oudste zoon N. ernstige problemen kreeg buitenshuis.

De problemen in het gezin B. begonnen volgens het dossier in 2004. Oudste dochter I., toen acht jaar, werd hevig gepest door kinderen in de buurt. Drie jaar later, in 2007, werd ook het tweede kind, N., slachtoffer. Hij zegt dat jongens in de buurt hem sloegen met stokken en seksueel misbruikten. Ook werd hij naakt gefilmd met een mobiele telefoon. Zijn moeder deed geen aangifte bij de politie toen ze dat ontdekte. Ze betaalde de jongens tien euro om het filmpje te vernietigen en vertelde uit schaamte niets aan haar man.

N. kon de ervaringen moeilijk verwerken. Op school ging hij ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’ vertonen. ’s Nachts plaste hij in zijn bed en hij durfde niet meer zonder onderbroek onder de douche. Op 13 juli 2007 deed de school, die de zaak niet vertrouwde, een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Het AMK legde twee huisbezoeken af. Vader noch moeder werd zelf verdacht van het misbruik, maar het werd wel vreemd gevonden dat vader niets van het misbruik van zijn zoon zei te weten. Jeugdzorg concludeerde dat de ouders niet adequaat omgingen met het probleemgedrag van hun zoon en stuurde een gespecialiseerde gezinsverzorger naar het gezin.

Vanaf 13 september kreeg de familie B. bijna dagelijks zo’n verzorgster over de vloer. Farid en Fatima dachten dat de hulp bedoeld was voor N. Maar al snel bleek dat ze voor het hele gezin kwamen.

Uit het verslag over die huisbezoeken blijkt dat het Marokkaanse huishouden waar net een vierde kind was geboren, niet leek op het Hollandse ideaal van rust, reinheid en regelmaat. Zo viel het de gezinsverzorgster op dat ‘moeder veel op de bank zat’. Als de oudste kinderen uit school kwamen, maakten zij zelf iets te eten klaar, terwijl moeder ‘met zeer harde stem in het Arabisch’ vanaf de bank opdrachten gaf. Het was moeilijk te volgen ‘wat er allemaal gezegd werd in het hectische gebeuren dat ontstond als de kinderen thuiskwamen’. De gezinsverzorgster verzocht moeder Nederlands te spreken.

Moeder was welwillend, staat in het verslag, maar toonde geen inzicht in ‘het belang’ van de ondersteuning. De gezinsverzorgster schrijft dit toe aan moeders ‘verstandelijke beperktheid’. De opmerking van de gezinsverzorgster dat de oudste dochter te veel verantwoordelijkheid had in huis, stuitte bij moeder op onbegrip. ‘De inzet van een dochter in het huishouden is binnen de Marokkaanse cultuur heel normaal, naar moeders zeggen’, noteert zij. Hoewel moeder haar kinderen ‘op ruzietoon en met veel stemverheffing’ corrigeert, luisteren zij niet goed naar haar. Moeder ‘paait’ haar jongste zoontje S. met snoep en fruit.

Aan Fatima’s liefde voor haar kinderen en haar ‘goede wil’ twijfelden de gezinsverzorgsters niet. Moeder knuffelde haar baby en noemde haar bij een koosnaampje, staat in het verslag. Maar ze sprong wel ‘ruw’ met haar om, ‘bijvoorbeeld het hoofdje niet ondersteunen als zij haar oppakte, of haar over de schouder legde’. De baby kreeg bovendien borstvoeding wanneer ze wilde. ‘Ik heb hier geen structuur in kunnen ontdekken’. Volgens het verslag ontbrak het moeder aan pedagogische vaardigheden. Toen S. een keer op haar schoot kroop terwijl zij borstvoeding gaf aan de baby, duwde zij hem weg. De gezinsverzorgster legde moeder daarop uit ‘dat S. wat jaloers reageerde en hoe ze hier op een positieve manier voor S. mee om kon gaan’. Daarop bood moeder S. ‘al lachend’ haar borst aan ‘met de vraag of hij ook wilde’. S. schrok daarvan, volgens de gezinsverzorgster. Over de zedelijkheid van moeder uit de gezinsverzorgster ook haar twijfel: ‘Bij mijn collega heeft moeder nogal wat confidenties gedaan over haar seksuele escapades uit het verleden. Dit soort verhalen komt op ons als seksueel ontremd gedrag over.’

De conclusie was dat moeder ‘de verantwoording voor het wel en wee van de kinderen wel op zich wil nemen en ook veel van ze houdt, maar zij geen inzicht heeft in wat er allemaal nodig is voor een optimale ontwikkeling van kinderen en wat daarbij aangeboden moet worden.’

De constatering dat kinderen zich mogelijk niet optimaal ontwikkelen, is voor Jeugdzorg doorgaans geen aanleiding om over te gaan tot zoiets ingrijpends als uithuisplaatsing. Maar drie gebeurtenissen, kort na elkaar, waren dat wel. De ‘zachte’ bevindingen van de gezinsverzorgsters kregen daardoor plotseling een ‘harde’ lading.

Op 25 september, tien dagen nadat de gezinsverzorgsters bij de familie zijn begonnen, gebeurt er in huis een ongeluk. Terwijl de baby op de bank ligt, springen N. en S. over haar heen. S. landt daarbij op haar been. Als de ouders ’s avonds zien dat haar voetje scheef staat en haar beentje dik wordt, gaan ze met haar naar het ziekenhuis. De komst van de familie met de baby, die een bovenbeenfractuur blijkt te hebben, wekt daar argwaan en het ziekenhuis doet een melding bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling (AMK). De gezinsverzorgster schrijft dat beide ouders los van elkaar hetzelfde verhaal vertellen over het ongeluk en dat dit ‘eerlijk’ overkomt. Er wordt geen aangifte gedaan, maar de melding door het ziekenhuis bij het AMK zit wel in het dossier.

Intussen blijkt dat N. op school steeds meer ‘seksualiserend gedrag’ vertoont. Besloten wordt om hem op 11 oktober medisch te laten onderzoeken in het Erasmus MC. N. vertelt daar voor het eerst vrijuit over het misbruik door de jongens, dat ernstiger blijkt te zijn geweest dan moeder had verteld. Hij zou een jongen oraal hebben moeten bevredigen en door klappen op zijn borst bewusteloos zijn geslagen. De arts constateert littekens over zijn hele lichaam, maar kan niet meer vaststellen of bij N. sprake is geweest van penetratie.

Een week na dit consult meldt de gezinsverzorgster bij het AMK haar zorg over N. Maar niemand doet nog formeel aangifte. Wel maakt het AMK op 19 oktober bij de Raad van de Kinderbescherming melding van ‘de zorgelijke situatie rondom I., N. , S. en baby B.’

Moeder vertelt rond diezelfde tijd aan de gezinsverzorgster dat haar jongste zoontje S. nu ook ‘draaiende bewegingen met zijn onderlijf’ maakt en ‘daarbij kreunende geluiden maakt en zijn hand naar zijn kruis brengt’. Ze zegt iets tegen S. in het Marokkaans, waarop deze ‘prompt voordeed wat moeder mij net verteld had’. Moeder reageert hierop ‘lachend met de vraag of ik nu begreep wat zij mij verteld had’.

De gezinsverzorgster ‘schrok hier erg van’, schrijft ze. Als zus I. vervolgens zegt dat S. pijn heeft aan zijn billen, belt de gezinsverzorgster opnieuw het AMK.

Op 8 november bezoekt Fatima ook met de 3-jarige S. het Erasmus ziekenhuis. En dan gebeurt er iets wat voor de familie enorme consequenties zal hebben: de arts constateert in de buurt van de anus van S. een litteken. In het medisch rapport staat dat onduidelijk is of dit litteken is ontstaan door seksueel misbruik. Maar voor de Raad van de Kinderbescherming is het aanleiding om in te grijpen. De volgende dag wordt een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. ‘Moeder reageert vriendelijk doch opgelaten. (...)’, zo staat in de rapportage. ‘De woning ziet er opgeruimd uit. De baby zit in een wipstoeltje op de grond en zij ziet er vrolijk en verzorgd uit.’ De Raad confronteert de moeder met de vondst van het litteken. Zij reageert ‘fel’ dat zij niet weet wat dit voor litteken is.

Als de raadsonderzoeker vervolgens over N. begint en zegt dat hij na het gymmen op school ‘nog steeds met een schuddend onderlijfje’ door de douche loopt, wordt moeder woedend en ‘geeft zij aan niet meer te willen praten’. Als moeder even later gekalmeerd is, vertelt zij dat zij zich schuldig voelt over wat er met N. is gebeurd en dat ze er ‘nooit aan had gedacht dat dit jongetjes ook kan overkomen’. Zij zegt dat zij ‘van binnen heeft gehuild’. Ook zegt ze dat zij bang is dat N. S. iets aan zou kunnen doen. Daarom heeft zij hen nu in gescheiden slaapkamers ondergebracht. Ze zegt dat zij ‘openstaat’ voor behandeling van N.. Ten slotte komt de beenbreuk van de baby ter sprake, waarna moeder opnieuw de toedracht van het ongeluk vertelt. De Raad vertrekt weer.

Farid en Fatima weten niet dat in de week die volgt, druk heen en weer wordt gebeld tussen jeugdzorg, het AMK en de Kinderbescherming. En ook niet dat zij op het punt staan om hun kinderen kwijt te raken.

Totdat die middag op 15 november de bel gaat.

Tien maanden verder proberen Farid en Fatima te begrijpen hoe het heeft kunnen gebeuren. Zij hebben fouten gemaakt, zien ze nu. Toen Fatima ontdekte dat N. was misbruikt, had zij meteen aangifte moeten doen bij de politie. Ze had het ook aan haar man moeten vertellen. Ze had niet moeten toestaan dat haar jongens wild sprongen terwijl de baby op de bank lag. En toen de arts het litteken bij S. constateerde, had ze rustig moeten nadenken over de mogelijke oorzaak, in plaats van meteen te roepen dat het niet kon. Inmiddels heeft ze gereconstrueerd dat het litteken moet zijn ontstaan doordat S. als baby op het strand in Marokko op een scherpe schelp is gaan zitten.

Farid had niet steeds de kamer moeten verlaten als de hulpverleensters kwamen, zegt hij. In Marokko gaan mannen weg als vrouwen samen over kinderen praten. Maar hier wordt dat raar gevonden. ‘Vader lijkt nauwelijks emotioneel betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen’, staat er tot zijn verbijstering nu in de rapportage van de Raad.

Farid en Fatima zijn ook boos. Op de gezinsverzorgsters die ze in hun huis hadden verwelkomd, maar die in hun verslag al hun gewoonten negatief interpreteerden. Zij verbleven in september en oktober in het gezin, maar het verslag werd pas gemaakt in januari, toen de kinderen al uit huis waren. Fatima en Farid hebben de indruk dat de observaties achteraf naar de negatieve ontknoping toe zijn geschreven.

Voor de baby had dit verslag grote gevolgen. Aan het onderzoek naar dit kind hadden de ouders wel meteen meegewerkt. Het Kennis & Servicecentrum voor Diagnostiek concludeerde mede op basis van dat verslag: ‘De ouders lijken niet te kunnen voldoen aan de minimale (opvoedings- en verzorgings) eisen’. Deze week heeft Fatima van de gezinsvoogd gehoord dat ze haar baby nooit meer terugkrijgt.

Dat N. hulp nodig had, zien Farid en Fatima zelf ook. Maar waarom zijn de andere kinderen weggehaald? I. was op het moment van uithuisplaatsing een vrolijke meid die het goed deed op school. S. was een blije en gezonde peuter. Het kinderdagverblijf waar hij dagelijks kwam, heeft dat tegenover de Raad bevestigd. En de baby was gezond en vrolijk.

Maar er was dreiging thuis, vermoedde Jeugdzorg. Want I. leed aan ‘parentificatie’, S. had ‘vermoedelijk een achterstand in de taalontwikkeling’ en was ‘snel driftig’ en de baby moest weg omdat ‘niet aan de opvoedingsvoorwaarden wordt voldaan’.

Hadden ze hem maar formeel beschuldigd van seksueel misbruik en mishandeling van zijn kinderen, zegt Farid. Dan had hij zich kunnen verweren zoals een verdachte dat kan. De suggestie dat hij en zijn vrouw ernstige feiten achterhouden over het misbruik van N., het litteken van S. en de beenbreuk van de baby, hangt nu als een donkere wolk boven het dossier, zonder dat dit is onderzocht. De opeenvolging van ‘zorgsignalen’ in korte tijd was aanleiding voor uithuisplaatsing, maar niet voor aangifte bij de politie en dus ook niet voor feitenonderzoek.

Een ‘hard’ feit werd wel gevonden toen Fatima en Farid een intelligentietest deden. Fatima deed de test bij MEE, een hulpverleningsinstantie voor verstandelijk beperkten. Ze zegt dat ze destijds – vóór de uithuisplaatsing – het belang van de test niet zag en maar wat invulde. Maar de lage score (IQ 60) die zij haalde, blijkt nu belastend. Farid, die vloeiend Frans spreekt, nam zijn test later wel serieus en scoorde gemiddeld. Desondanks schrijft het Kennis & Servicecentrum voor diagnostiek dat beide ouders ‘gerelateerd aan hun verstandelijke beperkingen onvoldoende zicht hebben op dagelijkse situaties en problemen’.

Twee rechtszittingen waarin de uithuisplaatsing teruggedraaid had kunnen worden, zijn inmiddels geweest. Omdat uithuisplaatsing (ook) een preventief doel dient, toetsen kinderrechters niet alleen de harde feiten, maar gaan zij ook af op de indruk die een gezin op Jeugdzorg maakt.

In familiezaken als deze is het ongebruikelijk dat ouders en advocaat de confrontatie zoeken. Volgens zowel advocaat Van den Hoogen als hoogleraar D. de Ruyter, beiden niet bij deze zaak betrokken, is de beste strategie om samen met Jeugdzorg een oplossing te zoeken. Het tonen van bereidheid om mee te werken, is volgens hen essentieel. Maar de advocaat van Farid en Fatima pakte het anders aan omdat zij dat van hem verlangden. Hij is bovendien strafpleiter en gewend aan confrontatie. Ze voelden zich slachtoffer en wilden niet meewerken aan het onderzoek dat nodig was om over de uithuisplaatsing te oordelen. Pas nadat de advocaat in april van de rechter de toezegging had dat rekening zou worden gehouden met culturele verschillen, gaven de ouders groen licht.

Bij uithuisplaatsingen is de tijd de vijand. Hoe langer kleine kinderen uit huis zijn, hoe groter de kans dat zij zich elders gaan hechten en hoe kleiner de kans dat de rechter ze weer naar huis laat gaan. Het onderzoek naar de situatie van de kinderen is wegens wachtlijsten nog niet afgerond en de zitting van maandag is uitgesteld. De advocaat van het gezin B. laat geen juridisch middel onbenut. Hij zegt naar het Europese Hof te gaan als dat nodig is. Maar de kinderen zijn voorlopig nog niet thuis.

Jeugdzorg wilde geen commentaar geven op dit artikel.
    • Daniela Hooghiemstra
    • Frederiek Weeda