Weinig begrip voor trauma’s van Rusland

Wereldmacht Rusland kromp ineen, terwijl economische shocktherapie werd toegepast. Nu komt de revanche.

Commentator en ex- correspondent NRC Handelsblad in Sovjet-Unie en Rusland, 1990-1993

Sinds het einde van de Sovjet-Unie in 1991 wordt Rusland op dubbelzinnige wijze bejegend. Als de Russen doen wat wij adviseren en het toch een puinhoop wordt, zijn ze nog niet rijp voor het liberale kapitalisme. Als de Russen niet doen wat wij zeggen en bokkig worden, zijn ze agressieve cold warriors gebleven.

Zelfs Andrej Kozyrev, van 1990 tot 1996 minister van Buitenlandse Zaken en bekend om zijn bijna onvoorwaardelijke oriëntatie op het Westen, kon die dubbelhartigheid soms niet meer verdragen. „Het is al erg genoeg dat jullie ons vertellen wat jullie gaan doen, ongeacht of wij het leuk vinden. Maar voeg daar niet ook nog eens de belediging aan toe dat het in ons belang is om jullie bevelen te gehoorzamen”, zei Kozyrev een keer in de jaren negentig.

Die jaren negentig waren cruciaal. Dit eerste decennium na de Koude Oorlog is de sleutel om de verkilling van nu te kunnen begrijpen. In die jaren is de wrok gezaaid die nu wordt geoogst. Trefwoord: vernedering.

In 1991 was de wereldmacht Rusland kleiner en armer dan ooit. Het imperium was teruggedreven tot bij de achttiende-eeuwse grenzen van Peter de Grote. De burgers zagen door de ‘shocktherapie’, een idee van economen als Jeffrey Sachs en Anders Åslund, hun Sovjetspaargeld opgaan in de rook van de hyperinflatie van 1992. De industrie implodeerde. Een Lada raakte men in het buitenland aan de straatstenen niet kwijt. De roebel verloor nul op nul. De staat balanceerde op de rand van het bankroet, want de prijs van een vat olie bungelde tussen 10 en 25 dollar.

Het IMF op zijn beurt stelde bij elke lening extra politieke eisen. De mannen van president Bill Clinton „zagen Rusland steeds minder als een potentiële partner en steeds meer als een nostalgische, niet functionerende, financieel zwakke macht op wiens kosten de VS zoveel mogelijk moesten verdienen”, zoals Dimitri Simes van het Nixon Center het vorig jaar formuleerde in Foreign Affairs.

Onverhoeds kwam deze gekrenkte trots zelfs wereldwijd in beeld. In Berlijn, in 1994, toen Jeltsin daar bezopen een militaire kapel begon te dirigeren. Nota bene bij het afscheid van de Westgroep, het legerkorps dat vanaf 1945 in de DDR had gelegen en daarmee het symbool van Ruslands macht in Europa was geweest. In Londen werd erom gebulderd van het lachen. Maar in Moskou schaamden de burgers zich de ogen uit de kop.

De communistische partij – die gewoon was blijven bestaan, hoewel dat volgens de westerse overwinningstheorie over de Koude Oorlog eigenlijk niet kon – hijgde de regering in de nek. In 1996 moest president Jeltsin zijn minister van Buitenlandse Zaken ontslaan. Hij werd vervangen door Jevgeni Primakov. Volgens hem was de nieuwe wereldorde geen unipolaire pax Americana, maar een multipolair veld vol vectoren.

Primakov zei dat niet alleen, hij handelde er ook naar. In 1996 vormden Rusland en China, met drie Centraal-Aziatische staten, in Shanghai bijvoorbeeld een eerste tegenbond. In 2001 werd deze groep uitgebreid en omgevormd tot de Shanghai Samenwerkingsorganisatie. Geheel conform het Russische wapen (een tweekoppige adelaar) ging Moskou weer twee kanten op kijken: naar oost en naar west. Shanghai is (nog) geen politieke eenheid. Eergisteren ving Rusland er bot, toen het deze alliantie vroeg om Zuid-Ossetië en Abchazië te erkennen. Maar dat is geen reden te doen alsof de club niet bestaat.

Ook de trauma’s uit de jaren negentig zijn door het Westen te lang en te vaak gebagatelliseerd. Dat Rusland in 1999 des duivels was over de NAVO-bombardementen op Kosovo, terwijl Primakov juist op weg was naar Washington voor een laatste bemiddelingspoging, werd gediagnosticeerd als een uiting van onmacht. Het wantrouwen toen Washington in 2002 het verdrag tegen antiraketraketten eenzijdig opzegde, werd misplaatst gevonden omdat deze stap niet tegen Rusland was gericht. Net zoals de toelating van alle Warschaupactlanden plus de drie Baltische Sovjetrepublieken tot de NAVO (1999-2004) geen bedreiging mocht heten. De gedachte dat de revoluties in Georgië (2003) en Oekraïne (2004) mede door westerse ngo’s waren gefinancierd, werd afgedaan als paranoia.

Maar toen Gazprom aan weerspannige buurlanden het volle pond vroeg (2006), misbruikte Moskou energie juist weer als „politiek wapen”. En toen Rusland waarschuwde voor de consequenties van de onafhankelijkheid van Kosovo (2008) had het ineens niet begrepen dat die uniek en zonder precedent was.

In het Kremlin noemen ze dit de „dubbele standaard” van het Westen. Dat woordgebruik is een alibi om aan hetzelfde euvel te mogen lijden. De westerse kritiek op Rusland mag dan wat paternalistisch zijn, ze is niet geheel bezijden de waarheid. Een natie die zich een „eeuwige grootmacht” noemt, moet aanvaarden dat haar gedrag wordt beoordeeld naar volwassen mensenmaatstaven en niet met puberale criteria. Bovendien moet elke postkoloniale mogendheid onder ogen zien dat het oude imperialistische spel een keer voorbij is. Rusland is er zelf verantwoordelijk voor dat het met deze geschiedenis en zichzelf in het reine komt. Maar die kritiek doet er wel minder toe naarmate de olieprijs meer stijgt.

Nu zit het Westen met de gebakken peren. Ons democratische moralisme wordt daar simpel weggehoond. Hun patriottisch revanchisme wordt hier vooral eng gevonden. Die eensgezindheid aan beide zijden lijkt handig. Maar ze ontneemt het zicht op de nuances. Het neoconservatieve idee dat Rusland altijd één pot nat is geweest, ongeacht of het autocratisch of communistisch werd geregeerd, doet geen recht aan de ideologische strijd die in de Koude Oorlog werd gevoerd. De realpolitische verzuchting dat Rusland in de Kaukasus gewoon terugkeert naar zijn eeuwige drang naar ijsvrije havens in het Zuiden, miskent het feit dat in de huidige geopolitiek alles met alles te maken heeft.

Rusland zoekt daarin zijn rol en gaat daarbij, boos als het is, ongegeneerd over de schreef. Het is het gebrek aan begrip – niet in vergoelijkende maar in analytische zin – dat de rest van wereld parten speelt.

    • Hubert Smeets