Vetdictatuur

Watertanden bij aardappelen, worst en spek – met wodka. Een culinaire reis naar Wit-Rusland.

Foto Maarten van Haaff wodka uit rusland Haaff, Maarten van

‘Ik hou van de Wit-Russische keuken”, juich ik als ik met een zwierig gebaar mijn wodkaglaasje tegen dat van mijn overbuurvrouw klink. We zitten in Minsk, in een restaurant dat typisch Belarussische gerechten (Wit-Rusland heet officieel Belarus) op de kaart heeft. Eerder die dag heb ik restauranthouders en koks gesproken die vol vuur en trots over hun nationale keuken spraken, een keuken die het varkensvet en de aardappel niet uit de weg gaat. Ze spraken verlekkerd over een smeersel van reuzel met paprika en knoflook dat je op donker brood kon smeren. Over zoute augurken en gekruid, gezouten varkensvlees, over worstjes en over de geweldige, typisch Belarussische draniki, aardappelpannenkoekjes, die met zure room en dille gegeten worden, of met forel of paddestoelen. Al die dingen, verzekerden de restauranthouders, waren heel gezond, ze leverden vitaminen, geen cholesterol, dat was wetenschappelijk bewezen.

Mijn gastvrouw heeft nu op mijn verzoek een aantal van zulke gezonde spijsjes besteld, en ik eet verzaligd gepekelde komkommer, gepekelde tomaat (heerlijk, de smaak van de tomaat neemt enorm toe en blijft toch ook enigszins vers), gepekeld varkensvlees, dat het meest lijkt op kleine stukjes ongekookte casselerrib, en natuurlijk draniki, met zure room en dille. De manager van restaurant Kaliada zei vanmiddag dat het goede hapjes waren bij wodka. „Proost, na zdorovje!” roep ik opgetogen, en klónk gaan onze glaasjes weer en we kunnen het vreselijk goed vinden, mijn Minskse gastvrouw en ik, dwars door alle cultuurverschillen en taalbarrières heen, omdat we zo fijn Belarussisch zitten te eten.

Er zijn niet veel mensen die een culinaire reis maken naar Wit-Rusland. Behalve dat de keuken geen speciale reputatie heeft, houdt wellicht ook de wetenschap dat we hier in de laatste min of meer communistische dictatuur zitten mensen tegen. Maar enige maanden geleden kreeg ik een telefoontje van iemand die zei dat hij bij de Europese organisatie ECEAT werkte die ecologisch toerisme in onder meer Wit-Rusland wil bevorderen en daartoe fietstochten organiseert. De fietsers fietsen langs drie festivals waar wedstrijden van streekgerechten georganiseerd worden. Zou ik bij zo’n wedstrijd willen jureren?

Zo’n verzoek krijg je niet elke dag, en dat is de reden dat ik me in Minsk zit in te drinken en vast enig voorproefwerk verricht voor de grote concurrentieslag die de volgende dag zal plaatsvinden.

Het festival blijkt zich af te spelen op het terrein van een sanatorium, een soort luxe kuuroord, bij het dorp Lepel, aan een prachtig meer met berken en dennen en geharkte zandstrandjes. De deelnemers hebben hun gerechten op grote tafels uitgestald en proberen de wespen, die ook en masse naar het festival zijn gekomen, enigszins op afstand te houden met zang en dans en handgewapper, en wellicht ook met de wodka die flink rondgesproeid wordt. Helaas hebben alle deelnemers appelcake gemaakt om mee te dingen naar de prijs, zodat aan elke tafel een hap van een grote, droge cake genomen moet worden, waarin de appels die je hier overal op de kop vallen, uiterst spaarzaam zijn gebruikt.

Gelukkig mochten ze ook andere dingen maken. Worst bijvoorbeeld, grove braadworsten, waar mijn Franse medejurylid van gruwelt en ook sommige fietsers hoor ik met afschuw het woord ‘vet’ herhalen terwijl ik zo professioneel mogelijk probeer gewicht te geven aan mijn overtuiging dat een worst zonder vet een onmogelijkheid is en dat vet niet vetter is als het grof is dan als het gemalen is. We proeven een traditioneel gerecht van aardappelen, worst en spek, (yess! met wodka!) we eten drie liter zure room, raken verrukt van de bosbessenwodka die gestookt is door een oude vrouw die ook een bijzonder ruige, gebakken, lever/ingewandenworst presenteert, en slaken opgewonden kreetjes bij de eieren die vermomd zijn als boleten en gevuld zijn met paddestoelen.

’s Avonds, bij een houten huis dat is omringd door appelbomen, uitkijkend over weer een ander meer, nog duizelig van de wodka, denk ik het weer, nu al in gerussificeerd Engels: „Da, I lof belaroes kussin!”

www.culinairwitrusland.nl

    • Marjoleine de Vos