Smikkelgebaar

Gebaren komen, gebaren gaan, en wie niet met alle benen midden in de maatschappij staat, is binnen de kortste keren de draad kwijt. Wat de overspannen meneer (Usain Bolt van Jamaica) hier op de foto’s allemaal duidelijk wil maken na het hardlopen begrijpen waarschijnlijk alleen zijn vrouw en kinderen. FOTO REUTERS Usain Bolt of Jamaica gestures before his men's 200m heat of the athletics competition in the National Stadium at the Beijing 2008 Olympic Games in this August 18, 2008 combination photo. REUTERS/Dylan Martinez (CHINA) Reuters

Wat zegt het sportpubliek als het flink fout gaat op het veld? Hondenlul, tyfushoer of kankerjood, natuurlijk, of woorden van gelijke strekking. Maar wat zegt het als het goed gaat? Mooi? Hoera? Ja? Yes? Daar is nog niet veel over bekend. En wat de sporter zelf roept als hij iets bijzonders doet, gaat al even makkelijk in gejuich verloren. Gelukkig is het niet nodig dat te verstaan want hij weet zijn gemoedstoestand toch wel duidelijk te maken. Hij stompt in de lucht dat het een aard heeft en trekt er een gezicht bij alsof hij aan zijn woede bezwijken zal. Of hij brengt de beide gebalde vuisten in een soort spastische kramp voor de borst, maar ook dan kijkt hij erbij alsof hij iemand naar de keel gaat vliegen. Veertig jaar geleden had hij stralend gelachen en zijn armen omhoog gestoken. Het publiek had geapplaudisseerd.

Het heeft geen zin om je aan de hedendaagse woedeaanvallen op de tribune en in het veld te ergeren. ’t Komt allemaal van de adrenaline en die stroomt tegenwoordig nu eenmaal makkelijker dan vroeger. Waar het vandaag over gaat is dat de non-verbale communicatie van de westerse mens opeens zo snel aan het veranderen is. Gebaren komen, gebaren gaan, en wie niet met alle benen midden in de maatschappij staat, is binnen de kortste keren de draad kwijt. Wat de overspannen meneer hier op de foto’s allemaal duidelijk wil maken na het hardlopen begrijpen waarschijnlijk alleen zijn vrouw en kinderen.

In het dagelijks verkeer, in huis, op school en op kantoor, lijkt het flink bergafwaarts te gaan met de oude vertrouwde non-verbale informatieoverdracht. Het is niet iets wat direct de aandacht trekt, zoals niets wat zachtjes verdwijnt, maar wie er een half uur over nadenkt geeft het toe: veel klassieke gebaren beginnen zeldzaam te worden. Er worden geen tongen meer uitgestoken en lange neuzen getrokken, het pico-bello-gebaar is sleets en het je-bent-gek-gebaar (tegen het voorhoofd tikken) wordt alleen nog tussen automobilisten uitgewisseld. Geen vrouw die nog ‘ammehoela’ zegt en daarbij op haar bil slaat.

Denk mee en denk na. Wie zwaait er nog met de open hand naast het oor als hij al smikkelend iets, mmmm, verrukkelijks naar binnen werkt. En wrijft daarna voldaan met de hand over de gespannen buik? Knipt in de vingers bij een eureka-ervaring? Slaat zich voor het hoofd bij een stomme fout? Wie schúdt er nog wel eens met dat hoofd.

Ja, er komt van alles voor in de plaats. Het kokhalsgebaar van staatssecretaris Hoogervorst was voor velen volkomen nieuw. Er worden tegenwoordig kushandjes weggeblazen en al eerder waren anderen erin geslaagd mededelingen non-verbaal tussen aanhalingstekens te zetten. Maar des te groter is de kans dat de oudste gebaren onopgemerkt verloren gaan.

De AW-redactie bewaart een scherpe herinnering aan een leesboek waarin een wij-ze ka-bou-ter de vinger langs de neus lei en peinzend “wacht eens” mompelde. De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren heeft zelfs een verifieerbaar citaat: “Zodra Vlimmen klaar was met de koe, legde Janus zijn vinger langs zijn neus en zei, dat meneer dokter toch ’ns efkens binnen moest komen...” Het doet er niet toe of er vroeger wel zo heel veel vingers langs neuzen gelegd werden of dat dat vooral in boeken gebeurde, zoals men daar ook met de handen in het haar zat en in zijn vuistje lachte. Van belang is: het gebeurt niet meer.

Veel gebaren verdwijnen of worden vervangen door andere die overtuigender bleken. De opgestoken middelvinger verving de duim die tussen wijs- en middelvinger werd gestoken, zoals het Hoogervorster kokhalzen te zijner tijd misschien het oudere droogbraken zal vervangen. Sommige oude gebaren krijgen geleidelijk aan een nieuwe betekenis. Het vermoeid rollen met de ogen (rolling your eyes) dat adolescenten teistert als een besmettelijke ziekte lijkt te zijn afgeleid van het ‘de ogen ten hemel slaan’ dat voor de oorlog ook in Nederland nog werd beoefend. Het verbindend element is waarschijnlijk de wanhoop. Vroeger de wanhoop van de mens die door het noodlot was getroffen, vandaag de wanhoop die uit verveling of ergernis voortkomt. Vreemd genoeg gebruikt Menno ter Braak in Van oude en nieuwe Christenen het ogenrollen al in moderne zin: “Laat hen de ogen ten hemel slaan en alles beter weten!” In Amerika is de betekenis van het ogenrollen al zozeer veranderd dat het als een forse belediging wordt beschouwd. (Don’t roll your eyes at me!)

Het wegwerpgebaar is nog springlevend, maar gaat het wel goed met het klassieke geldtelgebaar? Leeft het denigrerende maar krachtige ga-toch-pissen-gebaar nog op de werkvloer of is het inmiddels ook vervangen door de opgestoken middelvinger? Het wordt tijd dat Nederland een sluitende inventarisatie maakt voordat het te laat is. Wat je wilt weten: hoe oud sommige gebaren zijn en hoe lokaal of regionaal ze werden gebruikt. En ook: wie ze bedacht, want sommige zijn zo weinig vanzelfsprekend dat ze waarschijnlijk gewoon op een goede dag verzonnen zijn. Dat je een homo kon aanwijzen door met je rechterhand op de rug van de linker te kloppen. Het pico-bello-gebaar. Het vingerknippen bij eureka-belevenis. Dat komt misschien wel uit de Donald Duck.

Het zou ook ruimere betekenis kunnen krijgen, zo’n inventarisatie, want nog altijd is er een onbeslist debat over de vraag wat in al die gebaren is aangeboren en wat aangeleerd of overgenomen. Wie nog geen dertig is en niet al te veel naar oude films heeft gekeken zou waarachtig denken dat die sporters echt een rolberoerte krijgen als ze een record hebben gebroken. Dat ze dan volkomen natuurlijk en dus aangeboren verdrag vertonen. De armen omhoog steken bij succes en triomf: dát is aangeboren, weten we sinds kort. De tong tussen de tanden steken (tongue showing) bij lastige karweitjes die veel concentratie eisen: ook, want gorilla’s doen het ook. Ook aangeboren is het stampen met de voet als er iets vreselijk mis gaat, terwijl er toch al zo weinig tijd over was. Toch zie je het niet zo veel. Met de vuist op tafel slaan?

Zo komen we aan het eind bij de vraag die alleen maar verwarring kan stichten: zijn de aangeboren uitingen misschien ook aan het verdwijnen? Zijn er krachtige mechanismen werkzaam die ze onderdrukken? Dan komt de inventarisatie al te laat..

    • Karel Knip