Ogen met duizenden vragen

Valerie is een meter vierenvijftig en toch lijkt zij groot. Donkerblond krullend haar, maar stug zoals van een plastic pop bij Dreamland. „Drie kinderen”, bevestigt ze met een stotende schaterlach. Haar kleine mond beweegt voortdurend. Er is de suggestie van een snorretje, niet meer dan een hint, maar toch. Verbaasde bruine ogen, zoekend, tastend, ademend. Eerst en vooral de ogen. Daarna was de schepper moe of moest weg en heeft hij de rest zo’n beetje afgeraffeld. Ogen met duizenden vragen. Geen levensvragen, daarvoor zijn ze niet diep genoeg, maar praktische. Hoe dit, wanneer dat.

Dertig jaar geleden belandden wij na een vrolijke receptie in mijn auto. Daar begon ik haar meteen te kussen. Na een paar minuten zei Valerie: „Jij gaat met mij mee?” Het klonk officieel en zangerig, de combinatie van haar Engelse accent met te veel wijn. „Rij achter mij aan, alsjeblieft”, vroeg ze.

In haar Laura Ashley-flat rook het naar bloemen uit een spuitbus. Ik had dorst. Maar Valerie trok mij meteen haar slaapkamer in, kleedde zich in een hoek snel uit en keek over haar schouder: „Jij ook?” Zij verdween onder een zware donsdeken. Alleen haar kleine vingers staken boven het dekbed uit en bewogen ritmisch. Ik nam de tijd en zag te laat dat ik mijn sokken nog aanhad. Ik gaapte, knikte wazig en ging naast haar liggen. Valerie keek mij even aan, betrok, glimlachte en dacht na. Toen hakte zij een knoop door. Ze nam mijn hoofd in haar handen en zei dat we vooral goede vrienden moesten blijven. Ik kon de volgende ochtend de deur gewoon achter mij dichttrekken, zei ze. Zij gaf mij een kus, deed het licht uit en liet zich wegglijden in het mysterie van de slaap.

Na al die jaren lopen we elkaar tegen het lijf. „Jij bent toch getrouwd met een Duitse graaf?” „Die is al jaren dood”, zegt Valerie, „motorongeluk. En jij?” Ik vertel mijn verhaal, in losse woorden die maar geen zinnen willen worden. Ik kijk haar niet rechtstreeks aan. Ik zie dat ze eigenlijk geen handen heeft. Haar polsen gaan vanzelf over in vingerachtige worstjes, vlezig en bleek. Ze wrijft soms in haar harde krullen die steeds in hun oorspronkelijke positie terugvallen. Dan vangt zij mijn dwalende blik in haar ogen. Ze zuigen mij vast. Wij zeggen niets meer. Wij glimlachen, we weten niets van elkaar, alleen dat het ons lang geleden heel even is gelukt er het beste van te maken.

Wynold Verweij

    • Wynold Verweij