Na de lof was er vooral kritiek

Jenny Thunnissen vertrekt na acht jaar als hoogste baas van de Belastingdienst. Haar positie was onhoudbaar geworden

Jenny Thunnissen foto: Johannes van Assem 24-11-2006 den haag Jenny Thunnissen, Directeur-generaal van de belastingdienst. Assem, Johannes van

Geruchten waren er afgelopen maanden voldoende over het naderende vertrek van Jenny Thunnissen, de hoogste baas van de Belastingdienst. In april wenste ze niet in aanmerking te komen voor de baan van secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In juni hing, volgens de geruchten, een benoeming tot secretaris-generaal van het ministerie van Sociale Zaken in de lucht.

Het werd uiteindelijk inspecteur-generaal van Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW), zo is gisteren bekend gemaakt na afloop van de ministerraad. Premier Balkenende zei dat haar vertrek niets te maken heeft met de problemen waar de Belastingdienst onder het bewind van Thunnissen in terecht gekomen is. „Wij hebben juist grote waardering voor mevrouw Thunnissen. Iedereen is blij met deze benoeming.”

Jenny Thunnissen (1952) werd in 2000 benoemd tot directeur-generaal van de Belastingdienst. Bij haar aantreden had de fiscus het imago van best georganiseerde dienst van de rijksoverheid. Tegenwoordig wordt de dienst geassocieerd met recordaantallen klachten, zoekgeraakte gegevens, foutieve aanslagen en haperende uitbetalingen. Begin dit jaar raakten nog 730.000 aangiften inkomstenbelasting zoek door een computerfout. De Nationale Ombudsman concludeerde vorig jaar: „De Belastingdienst is door de ondergrens gezakt van wat aanvaardbaar is in de omgang met de burger.”

Thunnissen reorganiseerde de Belastingdienst in 2002 tegen de wil van het gros van het personeel. Ze verving de traditionele, hiërarchische organisatie door een platte organisatie met zogenoemde ‘collegiale managementteams’. De fiscus kwam in handen van collectieven met zelfsturing.

Thunnissen oogstte hiervoor lof. In 2002 werd ze overheidsmanager van het jaar wegens haar „stijl van leidinggeven aan een groot en complex bedrijf” en het „doordacht communiceren gebaseerd op een heldere visie”.

Het gros van haar 30.000 medewerkers (een kwart van alle rijksambtenaren) dacht daar anders over. Dat bleek in 2004 uit de personeelsmonitor, een tweejaarlijkse rondvraag. Jenny Thunnissen en haar hoger management kregen een 4,9 als rapportcijfer. Niet meer dan 12 procent van de medewerkers was positief over de reorganisatie.

De reorganisatie wordt door veel ambtenaren gezien als begin van de problemen bij de Belastingdienst. Het verzet tegen het beleid van Thunnissen werd intern jarenlang gevoerd door de Vereniging van Hoofdambtenaren bij het Ministerie van Financiën (VHMF). Voorzitter Erik Rutten van de VHMF reageerde gisteren diplomatiek op het vertrek: „Met Jenny Thunnissen nemen we afscheid van een betrokken DG. Zij heeft de Belastingdienst op zeer veel punten veranderd. Met de keuze voor haar bestuursfilosofie in het algemeen, en de schaalvergroting en de collegiale sturing in het bijzonder, is de VHMF het altijd oneens geweest.”

De dienstleiding wordt ook verweten zich niet verzet te hebben tegen bezuinigingen en het schrappen van banen op het moment dat de Belastingdienst extra taken kreeg van het kabinet-Balkenende II. Tegelijkertijd waren er de bekende automatiseringsproblemen, slecht management en prestigieuze projecten die de politiek koste wat het kost wilde laten uitvoeren. Het resultaat was dat controle, toezicht en dienstverlening zijn ingezakt. De pakkans voor wie fraudeert of slordig zijn aangifte invult, is flink gedaald.

Thunnissen ontkende in een interview met NRC Handelsblad dat de door haar geleide reorganisatie invloed gehad heeft op de problemen. Volgens haar is het onder haar leiding „helemaal niet uit de klauwen gelopen”.

Thunnissen kwam in maart dit jaar persoonlijk in opspraak door een nevenfunctie bij het Reinier de Graafziekenhuis in Delft. Dat bleek, net als veel andere ziekenhuizen, de Belastingdienst te benadelen door btw te ontwijken. Zij overtrad de integriteitsregels van de dienst door de nevenfunctie niet meteen neer te leggen op het moment dat ze vernam van de praktijken. Dat deed ze pas in maart nadat de kwestie in de publiciteit kwam.

In een memo aan staatssecretaris De Jager (Financiën, CDA), de politieke baas van Thunnissen, wees de personeelsdienst van Financiën in april op de eis in het personeelsreglement dat een ambtenaar zich bewust moet zijn van eventuele schade die een nevenfunctie kan opleveren voor de dienst. „De vraag zou aan de orde zou kunnen zijn of de DG voldoende alert is geweest op die mogelijke schade”, aldus de personeelsdienst.

De kwestie leidde tot een controverse binnen het ministerie van Financiën, waartoe de Belastingdienst behoort. De ambtelijke leiding van ministerie en Belastingdienst bleef haar steunen. Bij een deel van management en personeel, en bij een deel van de Tweede Kamer, was echter duidelijk dat de positie van Thunnissen onhoudbaar was geworden.