Kunukuhuisjes in de mondi

Illustratie Wendy Panders Panders, Wendy

Dit is de perceptie: weldenkende reizigers hebben op Curaçao niets te zoeken. Meer dan zon, zee, strand, luie losers en hotels vol Van der Valktoeristen zijn er niet te vinden. Dit is de werkelijkheid: het eiland is een ex-kolonie vol geheimen. Er broeit van alles, maar buitenstaanders kunnen er de vinger niet op leggen. Op Curaçao wordt de echte reiziger een ontdekkingsreiziger.

Neem bijvoorbeeld de oude plantage Rif St. Marie. Het karkas van het landhuis Rif staat even buiten het dorp St. Willibrordus, op Banda’Bou, het Curaçaose platteland. In de ondergelopen zoutpannen van de voormalige plantage, waar eens slaven werkten, staan nu flamingo’s. De brokstukken van ronde plateaus, waar zout in kegelvormige bergjes werd opgeworpen om te drogen, zijn nu overspoeld door plastic; van lege deodoranthulzen tot schoenzolen.

Het is een feit; de Curaçaose mondi, ofwel de wildernis, ligt vol vuilnis. Maar wel van eeuwen her. Spoelt naast de zoutpannen twintigste-eeuws plastic aan, op het steile pad naar het landhuis liggen scherven van eeuwenoude jeneverkruiken en om de ruïne zijn nog stukken kaolien pijp uit Gouda, van eind achttiende eeuw, te vinden.

Diep in de mondi stuit de ontdekkingsreiziger op een door de West-Indische Compagnie aangelegde loopput en aan de oever van het binnenmeer, achter het landhuis, is een zeventiende-eeuwse indigobak, gebruikt voor productie van de blauwe textielverf, te ontwaren.

Rif herbergt, samen met andere verlaten plantages, de overblijfselen van het Curaçaose slavernijverleden.

Het is er stil. Geelgroene parkieten kwetteren boven doornstruiken. Op een datu, een enorme cactus op plantages gebruikt om omheiningen mee aan te leggen, zit een oranje troepiaal.

Hier liepen de bewoners van de plantage eeuwenlang over dezelfde paden. Verscholen onder doornstruiken, schijfcactussen en onkruid staan nog enkele kunuku-, ofwel slavenhuisjes. Eromheen ligt het huisvuil van de laatste bewoners; een geëmailleerde pispot, een tinnen drinkbeker en een enorme ketel om water in te vangen; stromend water of elektriciteit heeft de plantage nooit gekend.

De Shon, de slaveneigenaar, begon zijn overwicht te verliezen met de komst van de katholieke kerkdorpen, waarvan St. Willibrordus er in 1849 een was. Veertien jaar later werd de slavernij afgeschaft.

Maar Rif liep pas echt leeg nadat de in 1918 geopende Shell-raffinaderij plantagebewoners met hoge lonen naar de hoofdstad Willemstad lokte.

Pas lang daarna werd het witte gebouwtje aan de rand van de plantage neergezet. Van daaruit maakte luchtverkeersleiders in de jaren zestig contact met vliegtuigen op weg naar de verderop gelegen luchthaven Hato. Nu is het gebouwtje verlaten, onder het ingeslagen raam ligt in het stof een moederbord van een computer. Een KLM-vliegtuig komt over; Rif ligt nog altijd in de aanvliegroute. Op dit aan de zeekant gelegen deel van de plantage staat nu een resort met vakantiehuizen voor, veelal, Nederlandse bezoekers.

De passagiers aan boord, Van der Valktoeristen en wellicht een enkele ontdekkingsreiziger, glijden over de restanten van vierhonderd jaar mondialisering; van de indigo, via het zout en de olie naar het toerisme.

Miriam Sluis

Van de auteur verschijnt in september bij KIT Publishers ‘Zoutrif’ over de plantage Rif St. Marie