‘Ik wil mezelf voor geen goud veranderen’

Robin Haase maakt een van de moeilijkste fases in zijn tenniscarrière door. Maar twijfelen doet hij zelden. „Ik weet dat ik boven mezelf kan uitstijgen.”

Tennisser Robin Haase: „Als ik volgend jaar niet bij de beste vijftig sta, dan mogen ze me neersabelen.” Foto Jørgen Krielen © Jorgen Krielen / Amsterdam, 26-08-2008 / Robin Haase Krielen, Jørgen

Drie uur dinsdagmiddag. Onder een flauw zonnetje werkt Robin Haase een oefening af met coach Dennis Schenk in het trainingscentrum van de tennisbond in Almere. Het tweetal werkt in stilte en oogt geconcentreerd. Als een machine serveert Haase naar zijn denkbeeldige tegenstander. Schenk voorziet zijn pupil van nieuwe munitie. „Ik ben tevreden”, zei de coach een dag eerder per telefoon over het herstel van de Nederlandse nummer één. „Robin heeft een paar moeilijke weken achter de rug, maar hij blijft er positief onder. We gaan stapje voor stapje vooruit.”

Haase (21) denkt daar niet anders over. Wie de geboren Hagenaar in Almere over de baan ziet lopen – handenschuddend, grapjes makend – zou niet denken dat hij door een van de moeilijkste fases in zijn tennisloopbaan gaat. „Natuurlijk maakte ik mij na mijn knieoperatie zorgen”, zegt de nummer 97 van de wereld. „Omdat ik te lang had doorgespeeld, zat er veel vocht in mijn knie. Het was een behoorlijke bobbel geworden. Maar tijdens de revalidatie ging het met sprongen vooruit. Als het meezit speel ik volgende maand Davis-Cup (tegen Zuid-Korea om een plaats in de wereldgroep, red.) ”

Haase heeft sinds zijn operatie, zes weken geleden, veel tijd doorgebracht met zijn conditietrainer Miguel Janssen. Met name zijn bovenlichaam heeft zich daardoor goed kunnen ontwikkelen. „De kilo’s vliegen er aan”, grinnikt de tennisser die vlak voor zijn operatie plaats 56 van de wereldranglijst bezette. „En dat is geen overbodige luxe in een sport waar lichaamsbouw en uithoudingsvermogen steeds belangrijker worden.” In die zin is zijn blessure een verhulde zegen: Haase komt eindelijk toe aan iets waar hij normaliter geen tijd voor heeft met zijn drukke tennisschema.

Dat neemt niet weg dat je deze week in New York had kunnen spelen. Doet het geen pijn de US Open via televisie te moeten volgen?

„Pijn... pijn. Ik baal er natuurlijk wel van. Maar ik ga niet bij de pakken neerzitten of zo. Tennis kijken via de televisie doe ik überhaupt heel weinig. Als het toevallig zo uitkomt pik ik een paar games mee. Maar het is zo anders dan in het echt, dat het mij al snel tegenstaat. Dan volg ik liever sporten als judo, roeien, turnen en trampolinespringen op de Olympische Spelen. Daarvan heb ik de afgelopen weken veel meegekregen.”

De Belgen Olivier Rochus en Steve Darcis voldeden, net als jij, niet aan de olympische kwalificatie-eis van de nationale sportkoepel. Zij stapten daarop naar de rechter om een een startbewijs af te dwingen. Heb jij dat ook overwogen?

„Nee. Het leek mij onverstandig daar veel energie in te steken. Andere Nederlandse sporters is het ook niet gelukt. Waarom zou het mij dan wél lukken? Bovendien kan ik mij niet vinden in een aantal uitspraken van onze chef d’équipe. Zo zei hij bijvoorbeeld dat hij zijn geld liever steekt in een assistent-coach voor het hockeyteam, dan een mental coach voor baanwielrenner Theo Bos. Als je zoiets zegt, dan ben je niet...”

Capabel.

„Dat is een groot woord. Maar ik heb wel het gevoel dat meneer Van Commenée onderschat hoe belangrijk een mental coach voor sporters kan zijn. Hij geniet respect en heeft veel ervaring met topsporters. Daarom betreur ik het des te meer dat hij er zulke opvattingen op nahoudt.”

Je zegt eigenlijk: door zo’n man laat ik mij niet vertegenwoordigen.

„Dat gaat te ver. Van Commenee mag zeggen wat hij wil in zijn positie. Maar dat betekent nog niet dat alle sporters achter zijn uitspraken hoeven te staan. Om nog een ander voorbeeld te geven: hij zei dat hij alleen sporters met medaillekansen naar Peking stuurt. Ten eerste is het niet waar – ik ken genoeg sporters die ‘maar’ voor een plaats bij de laatste acht gingen. En ten tweede doet hij mij met zo’n uitspraak tekort. Als ik naar Peking was gestuurd, had ik er alles aan gedaan om goud te winnen. De kans dat dat lukt is klein, maar ik weet dat ik boven mezelf kan uitstijgen. Waarom zou ik in Peking niet van de toppers kunnen winnen?”

Des te meer reden voor de vraag: waarom heb je er geen zaak van gemaakt?

„Ik héb er ook een zaak van gemaakt, maar op een andere manier dan Rochus en Darcis. De internationale tennisfederatie ITF heeft eerder deze week toegezegd dat ik financieel gecompenseerd word voor het mislopen van een olympische medaille en potentiële sponsorcontracten in Peking. Om hoeveel geld het gaat weet ik niet, maar ik ga uit van een reële compensatie.”

Een principe- of geldkwestie?

„Beide. Volgens de internationale limieten had ik mij gekwalificeerd voor het enkelspel in Peking. Als NOC*NSF mij vervolgens de voet dwars zet, wil ik daarvoor gecompenseerd worden. Door welke instantie dan ook – dat moeten ze onderling maar uitvechten.”

Als eenling tegen de grote reus: die rol ligt jou wel.

Kucht. „Ik kan slecht tegen onrecht. Zo simpel is het.”

Even terug naar de US Open. Hoe erg is het dat er geen Nederlanders meedoen, voor het eerst in ruim twintig jaar?

„Dat is helemaal niet erg. Jarenlang is Nederland verwend met de gouden generatie. De Wimbledontitel van Krajicek, Schalken en Siemerink in de top-20 – we vonden het allemaal maar normaal. Maar voor een klein land is dat soort prestaties uniek. En het is dan ook niet vreemd dat je na zo’n succesvolle generatie in een gat valt. Voordat je de weg omhoog vindt, moet je eerst door een diep dal. En op dat punt zitten we nu.”

Haase stoort zich aan kranten die schrijven dat het Nederlandse tennis er slechter voor staat dan ooit, zoals de Volkskrant vorige week constateerde. En dat de jonge ploeg van Davis-Cupcaptain Jan Siemerink niets te zoeken heeft in de Wereldgroep. De kopman somt op: Martin Verkerk is op de weg terug, Jesse Huta Galung hikt tegen de top-100 aan en Thiemo de Bakker heeft nog nooit zo hoog op de wereldranglijst gestaan als deze week (plaats 228). „Of onze generatie het gaat redden weet ik niet”, zegt hij. „Maar ik weet wel dat het ergste voorbij is. Waarom concluderen dat we niet in de Wereldgroep thuishoren? Ik ga liever van het beste scenario uit: dat de Davis-Cupontmoeting tegen Zuid-Korea de definitieve ommekeer van het Nederlandse tennis markeert. Dat Jesse – een typische teamspeler – het beste uit zichzelf naar boven haalt in Apeldoorn. En dat Thiemo weer wat meer ervaring kan opdoen met het spelen van vijfsetters op hoog niveau.”

Voormalig toppers als Sjeng Schalken en Raemon Sluiter fungeren steeds vaker als coach van de nieuwe lichting. Een goede ontwikkeling?

„Of er sprake van een trend is, weet ik niet. Sjeng heeft een paar keer met Jesse getraind – en daar lijkt het bij te blijven. Richard Krajicek voorziet zijn zus zo nu en dan van adviezen. Alleen Raemon is serieus met Thiemo de Bakker bezig. Ik vind het overdreven te stellen dat ex-toppers massaal aan het coachen zijn geslagen.”

Vind je dat zij zich meer over hun jonge collega’s zouden moeten ontfermen?

„Ja en nee. Toptennissers zijn nog geen toptrainers. Daarvoor zullen ze eerst een hoop ervaring moeten opdoen. Aan de andere kant is het wel stimulerend als Krajicek in Almere een gastles over serveren geeft. Of als Eltingh en Haarhuis hun dubbelspelervaring met jongeren delen. Uit mijn juniorentijd kan ik mij nog goed herinneren hoeveel indruk het maakte als een van mijn idolen langskwam. Ik pikte altijd wel iets van zo’n bezoek op.”

Zie jij een taak als mentor weggelegd voor jezelf in de toekomst?

„Ik neem die taak nu al op me. Als jonge collega’s met een vraag of probleem zitten, kunnen ze altijd bij mij terecht. Daarbij schuw ik een harde aanpak niet. Zo neem ik geen genoegen met het argument dat ze toch niet van mij kunnen winnen. ‘Misschien niet vandaag’, zeg ik dan. ‘Maar wie weet wel over een maand of een jaar’. Er is niets ergers dan een gebrek aan inzet.”

Volgens je coach run je je tenniszaken als een manager. Ik begrijp opeens beter wat hij daarmee bedoelt.

Lacht. „Ik weet wie ik ben en waar ik voor sta. Zo weiger ik bijvoorbeeld lange broeken of strakke shirts te dragen omdat mijn sponsor dat leuk vindt. En ik ga ook heel verantwoord met mijn geld om. Als kind kocht ik bijvoorbeeld alleen spelletjes van mijn zakgeld als ze in de uitverkoop waren. De rest maakte ik over naar de spaarbank, waar ik in de loop der jaren een aardig vermogen heb opgebouwd. Als ik over twee maanden mijn eigen coach en fitnesstrainer moet gaan betalen (omdat Haase Jong Oranje ontgroeid is, red.) kom ik niet in de problemen.”

Lig je nooit wakker van het idee dat je bedrijf ook met economische tegenwind te maken kan krijgen?

„Nee. Als ik naar de lijst kijk van jongens die tussen plaats 60 en 100 van de wereldranglijst staan, weet ik dat ik daar tussen hoor. Sterker nog: dat heb ik ook met de top-30. Natuurlijk zullen er dipjes komen. Maar overall ga ik er de komende jaren zeker op vooruit.”

Je legt de lat hoog. Daarom is het verrassend dat je gepikeerd raakt als journalisten kritisch zijn bij een mindere periode.

„Ik heb inderdaad hoge verwachtingen van mezelf. Maar ik zeg ook: geef me de tijd om mijn doelen te verwezenlijken. Journalisten vergelijken mijn prestaties met die van Nadal, maar ik zit nog in de opbouwfase. Dat neemt niet weg dat ze mij kritisch mogen volgen; als ik volgend jaar niet bij de beste vijftig sta, dan mogen ze me neersabelen.”

Als mensen hun ambities uitspreken ligt daar een zeker ongeduld in besloten. Het maakt misschien onnodig kwetsbaar.

„Dat klopt: ik leg mezelf onnodig veel druk op. Maar zo ben ik nu eenmaal. En dat zou ik voor geen goud willen veranderen.”

    • Danielle Pinedo