‘Ik leid een keurig leven maar de bajes dreigt weer’

‘Ik zorg voor de structuur hier in huis.’ Foto Vincent Mentzel Het verhaal van Toine Bakermans (49) over zijn transformatie van overvaller tot kunstenaar. Toine BAKERMANS,beeldend kunstenaar. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 25 juni 2008 Mentzel, Vincent

‘Ik zal er niet omheen draaien: ik heb een crimineel verleden. Ik ben bankrover geweest. Ik liep zo’n bank binnen met een pistool en kwam eruit met een zak geld. En dat heb ik niet één of twee keer gedaan, maar een heleboel keer. Het heeft me in totaal meer dan twintig jaar in de gevangenis gekost. Maar elke keer als ik vrijkwam, was de verleiding te groot. Dan ging ik weer op pad. Tot ik weer gepakt werd.

Dat ik die banken heb beroofd, daar heb ik lange tijd helemaal niet mee gezeten. Waar ik wel mee zat was dat ik een keer een oud vrouwtje een doodschrik had bezorgd. Maar verder dacht ik: die banken zijn geen liefdadigheidsinstellingen, dus zo verkeerd is het niet wat ik heb gedaan. Maar tijdens mijn laatste detentie raakte ik in gesprek met een humanist. En zij zei tegen mij dat het laf is om iemand met een pistool te bedreigen. Die mensen, die werken daar ook maar voor hun boterham. Toen dacht ik: ze heeft gelijk. Het is laf.

Ik was inmiddels in de veertig en kwam tot de conclusie: ik kan zo niet doorgaan. Ik heb een dochter en kan haar niet laten opgroeien zonder vader. In de gevangenis begon ik te leren voor mijn havo-diploma. Ik haalde mijn horecapapieren. Dat ging me eigenlijk goed af. Ik bleek meer te kunnen dan banken overvallen.

In die gevangenis ben ik ook gaan schilderen onder leiding van een docent creatieve vormgeving. Ik schilderde een rechter met peterselie in zijn oren. Een officier van justitie met een hoofd als een rode peper. Ik maakte portretten van bewakers. En het werd opgemerkt. Er kwamen medegevangenen naar me toe met de vraag: kun je een portret maken van mijn kind? Dan sloofde ik me uit en dan leek het voor geen meter maar ze vonden het toch mooi.

Dat schilderen, dat heeft mijn leven veranderd. Op een dag vroeg die docent me: waarom ga je geen opleiding beeldende kunst doen? Want je hebt het in je. Ik vond het een geweldig idee. Te mooi om waar te zijn. Vervolgens kwam er iemand van de Rotterdamse Willem de Kooning Academie praten. De vraag was natuurlijk of ik zo’n opleiding aankon. Want ik was op mijn dertiende van school gegaan, arbeidsongeschikt verklaard wegens een ernstig autoriteitsprobleem en had nooit één minuut in mijn leven gewerkt. Zou het mij lukken een opleiding tot docent beeldende kunst te volgen aan een hbo-instituut? Ze dachten van wel. Met mijn achtergrond zou ik goed kunnen werken met probleemjongeren, vonden ze. En ik? Ik wilde dolgraag een nieuw leven beginnen met iets waar ik goed in ben.

In 2005 ging ik naar een open penitentiaire inrichting en kon ik aan mijn opleiding aan de Willem de Kooning Academie beginnen. Justitie betaalde het eerste jaar. Die opleiding heeft mij alleen maar goeds gebracht. Het was natuurlijk wennen, maar mijn medestudenten reageerden positief. Ze waren erg nieuwsgierig naar mijn verleden. Maar als ik dan zei dat ik banken had beroofd, dan zag ik ze denken: ja, daaag! Er zaten trouwens wel meer types in de klas hoor, zoals een ex-vrachtwagenchauffeur die het helemaal gehad had met het vervoer en zich nuttig wilde maken in het onderwijs.

Makkelijk is het niet geweest. Ik weet nog dat ik mijn eerste presentatie moest doen en totaal niet uit mijn woorden kwam. Mensen toespreken is niet mijn ding. Een bankemployé vertellen dat hij het geld in een zak moet doen is iets anders dan een verhaal houden over Karel Appel of Rembrandt. In de begintijd liep ik ook nog met een elektronische enkelband. Dat was lastig als er een les uitliep.

Het schilderen ging goed, maar het schrijven van verslagen, het plannen van mijn studie en vakken als kunstgeschiedenis en onderwijskunde waren zwaar. Daardoor liep ik achterstand op. Maar het is me met hulp van iedereen en mijn eigen inzet toch gelukt om door te studeren. Mijn docenten steunen me door dik en dun en mijn medestudenten ook. Er waren twee medestudenten met wie ik meteen een hechte band kreeg: die ex-vrachtwagenchauffeur en een jongen van Turkse afkomst. Die heeft zich bij een van zijn projecten nog laten inspireren door mijn verleden.

Mijn stage deed ik op een school voor jongeren die in aanraking waren geweest met justitie. Dat ging goed. Ik liet ze elkaar natekenen. Collages maken. En ik ging met ze naar een museum. Die gastjes moesten dan weer met hun vingers kijken en dan ging het alarm natuurlijk af. Maar ik had de wind er verder wel onder.

Dat museumbezoek deed me denken aan de eerste keer dat ik, vers uit de bajes, naar de Kunsthal ging om een tentoonstelling over Willem de Kooning te zien. Liep ik daar met mijn trainingsbroek aan. Ik had het gevoel dat het woord ‘bajesboef’ op mijn voorhoofd getatoeëerd stond.

Gaandeweg ging het in mijn persoonlijk leven steeds beter. Ik kreeg aanbiedingen om criminele klusjes te doen, maar dat heb ik afgeketst. Er woonden vrienden bij mij in de buurt die aan de coke zaten. Dat contact heb ik afgekapt. Drugs pasten niet meer in mijn leven. Mijn grootste uitspatting was dat ene biertje dat ik op vrijdagmiddag met mijn studievrienden dronk.

Ik liep mijn oude liefde Marion weer tegen het lijf. Zeventien jaar geleden had zij mij verlaten omdat ze vond dat ik te ver ging met mijn criminele activiteiten. Toen we elkaar terugzagen vertelde ze dat ze veel had meegemaakt. Door een vriend met losse handjes was ze in een blijf-van-mijn-lijfhuis terechtgekomen. Daar moest ze weg omdat hij erachter was gekomen waar ze zat. Maar ze wilde niet naar een ander opvanghuis. Toen heb ik gezegd: kom maar een tijdje bij mij wonen. Ze is niet meer weggegaan. Ze slikt nu geen pillen tegen depressies meer en we hebben het leuk met elkaar. Ik vind haar een heldere, frisse vrouw.

In februari trok ook onze dochter van twintig bij ons in. Die had een tijdje op kamers gewoond, maar daar had ze een potje van gemaakt. Ze zat diep in de schulden en had een fout vriendje die drugs dealde. Marion had geen overwicht op haar, maar ik wel. Het klinkt gek, maar ik zorg voor de structuur hier in huis.

En toen viel die acceptgiro van het Centraal Justitieel Incassobureau op de mat. Of ik 30.000 euro wilde betalen. Dat was een schadevergoedingsmaatregel die de rechter mij had opgelegd. Ik betaalde al een schadevergoeding van 8.000 euro sinds 2002. Daarvoor had ik een afbetalingsregeling getroffen van 40 euro per maand. Dus ik dacht: voor die 30.000 euro moet ik dan ook maar een afbetalingsregeling treffen. Maar dat bleek niet te kunnen. Het Justitieel Incassobureau zei: niks regeling, u moet binnen twee weken betalen. En als u dat niet doet, dan moet u 350 dagen hechtenis ondergaan.

Ik was verbijsterd, want ik wil wel betalen, maar ik kan het gewoon niet. Ik weet het, ik heb als bankrover heel veel geld buitgemaakt. Maar ik heb dom geleefd. Ik heb het allemaal naar de hoeren gebracht en in mijn neus gestopt. En nu leef ik van een uitkering van nog geen 900 euro per maand.

Ik leid tegenwoordig een keurig leven, maar toch moet ik weer een jaar gaan zitten. Mijn advocaat zegt dat het een foutje in de wetgeving is waar wel meer mensen zoals ik het slachtoffer van zijn. Bij ontneming, dat is wanneer justitie een crimineel dwingt geld in te leveren dat hij op criminele wijze heeft vergaard, is het mogelijk om door een rechter te laten toetsen of zo iemand wel kán betalen. Maar bij een schadevergoedingsmaatregel kan dat niet. Je kunt het niet aanvechten. Ook als je wel wilt betalen maar niet de middelen hebt, draai je de bak in.

De hele situatie is erg bedrukkend. Er zijn momenten dat ik het echt niet meer weet. Hoe moet dat als ik weer een jaar binnen zit? Kan ik mijn studie daarna weer oppikken? Hoe moet het met Marion als niemand haar steunt? Hoe moet het met mijn dochter als niemand haar structuur geeft? Dan loopt ze weer in twintig sloten tegelijk.

Ik hoop niet dat je denkt dat ik nu zielig zit te doen. Ik vind het namelijk terecht dat ik een schadevergoeding moet betalen. Ik heb verkeerde dingen gedaan, daar wil ik ook voor boeten. Daarom betaal ik ook 60 euro per maand aan het Justitueel Incassobureau. Om te laten zien dat ik van goede wil ben.

Het is allemaal zo onlogisch. Als ik nu een jaar de bak in draai, kost dat de gemeenschap 70.000 euro. Dat is meer dan twee keer die hele schadevergoeding. Terwijl ik, als ik volgend jaar mijn eindexamen haal, een waardevolle bijdrage kan leveren aan de maatschappij. Justitie heeft mij op het goede spoor gezet door mijn eerste studiejaar te betalen. Maar nu verhindert hetzelfde apparaat me om die studie af te maken en eindelijk iets moois met mijn leven te doen.”

Renate van der Zee

    • Renate van der Zee