Hyperactief ten strijde tegen de jaren tachtig

Hoe lang geleden zijn de jaren tachtig? De vraag is zinnig geworden door de niet-aflatende publicitaire opwinding over een handtekening van minister Cramer (Milieu, PvdA) uit 1986 en de lotgevallen van het twee weken geleden teruggetreden Tweede Kamerlid Duyvendak (GroenLinks) plus zijn kompanen in het radicale actiewezen van een kwart eeuw geleden.

Duyvendak stapte op als parlementariër nadat was gebleken dat een oproep die in 1985 onder zijn verantwoordelijkheid in het blad Bluf! was verschenen, had geleid tot bedreiging en intimidatie van topambtenaren op het ministerie van Economische Zaken. Door dat feit hing er rond Duyvendak een sfeer van opruiing tot fysiek geweld. Bij minister Cramer is daarvan geen sprake. Toch ligt zij nu ook onder vuur, sinds haar naam (gespeld met een ‘k’) opdook onder een steunbetuiging aan Bluf! die 22 jaar geleden als advertentie verscheen. Aanleiding voor die adhesiebetuiging was de aankondiging dat niet alleen de redactie, maar ook de drukker een ingreep van de politie tegemoet kon zien.

Cramer, destijds voorzitter van Milieudefensie, kan zich nu niet meer herinneren haar naam te hebben geplaatst tussen die van 177 anderen. Op haar verzoek gaat Ernst & Young uitzoeken hoe het zo gekomen is. De minister heeft misschien goede redenen om een organisatieadviesbureau in de arm te nemen, maar politiek maakt deze aanpak geen sterke indruk. Ze had beter zelf stelling kunnen nemen tegen de aanvallen op haar.

Want de opwinding over het activisme van de jaren tachtig heeft zo langzamerhand iets hyperactiefs gekregen. Het ter verantwoording roepen van destijds luidkeelse (en vaak anonieme) linkse activisten is een nieuwe afrekening met het recente verleden, een wrokkige vorm van collectieve introspectie waar Nederland inmiddels zes jaar ervaring mee heeft opgedaan. Het afscheid van het multiculturalisme is er een ander voorbeeld van: ooit beschouwd als zinnebeeld van verlichte tolerantie, nu afgeschreven als synoniem voor cultureel defaitisme of capitulatiegedrag.

Zo’n verandering in de blik op het verleden kan natuurlijk voortkomen uit groeiend historisch inzicht of moreel besef. Oftewel, zoals GroenLinks-leider Halsema de bewustwording van haar fractiegenoot Duyvendak omschreef, met een keus voor „wijsheid” in plaats van „koppigheid”.

Maar dat lijkt in het algemeen te veel eer. De recente omslagen in het Nederlandse zelfbeeld zijn te abrupt en totaal om alleen maar het gevolg te zijn van gestaag groeiend inzicht. Het vaderlandse zelfonderzoek heeft, al sinds de periode-Fortuyn, eerder de schrille toon van een slechte echtscheiding. Het illustreert de waarneming van de Amerikaanse historicus Kennedy, hoogleraar in Amsterdam, dat Nederland het land van de „verworpen tijdperken” is: links wordt dan rechts, deugdzaam zondig, en goed – uiteraard – fout.

Dat lijkt nu te gebeuren met het beeld van de jaren tachtig. Dat decennium moest het lang doen met de status van appendix van de uitputtend becommentarieerde jaren zestig en zeventig, maar staat nu dankzij de zaak-Duyvendak in het brandpunt van de belangstelling. Wie zich toen een held waande, geketend aan het hek van een kerncentrale, mag daarom nu dekking zoeken.

Een kritische bezinning op het activisme van die grimmige, bij vlagen gewelddadige jaren kan zeker de moeite waard zijn. Het is ook nuttig om te weten of een huidige minister zich destijds onder sympathisanten van Bluf! schaarde. De morele aspecten van het toenmalige linkse activisme – dat uitwaaierde van kraakacties tot vernieling, intimidatie en brandstichting – zijn te weinig ter discussie gesteld, en kritische geluiden erover te lang overstemd.

Maar de blik op het tijdvak kan alleen scherper worden als het perspectief niet zó radicaal kantelt dat, tussen de verwijten en biechten door, geen ruimte meer is voor een onbevangen historische benadering. Want geschiedschrijving en verantwoording afleggen zijn iets anders dan wraak nemen op het verleden.