Het gevoel van de jaren tachtig was dat van krenking – de maatschappij zat niet op ons te wachten

Studiepunten voor kraken, uitstel van afstuderen, eigenrichting, de sociale dienst en een lerarenoverschot vormden het perspectief van jongeren in de jaren tachtig. Jaren zonder toekomst maar dat is geen excuus voor anti-democratische ideeën.

Illustratie Bas van der Schot Studiepunten voor kraken, uitstel van afstuderen, eigenrichting, de sociale dienst en een lerarenoverschot vormden het perspectief van jongeren in de jaren tachtig. Jaren zonder toekomst maar dat is geen excuus voor anti-democratische ideeën. Schot, Bas van der

Presentator van ‘Met het oog op morgen’Columnist Vrij Nederland

Hoeveel meer toekomst kan een mens voor zich hebben? Je bent zo rond de twintig, je studeert aan een Amsterdamse universiteit, je lichaam is nog zo jong en soepel, dat je je best doet daar geen aandacht op te vestigen, maar als je beter uit je ogen kijkt, zou je zien dat de dertigers en veertigers je precies om die fysieke nonchalance benijden.

Maar als die toekomst voor je lag in de vorige eeuw, begin jaren 80, was ie toch een beduidend minder ruim bemeten dan de generatie voor en na jou ondervond. Dit is geen persoonlijk oordeel, dit is een constatering.

Het ging in die tijd redelijk goed met mezelf, dank u wel, maar met Nederland als geheel ging het slecht. Drie kabinetten-Van Agt (CDA) regeerden het land, van december 1977 tot november 1982, en die slaagden er niet in het economische tij te keren. De (jeugd)werkloosheid was massaal en tegelijkertijd heel gewoon. Zo’n 600.000 mensen zochten naar een baan.

Het was waanzin om zo snel mogelijk af te studeren, want met een bul op zak wachtte je hoogstwaarschijnlijk de sociale dienst en een uitkering. Er was een fantastisch lerarenoverschot, de toekomst ging niet verder dan het tijdelijke leraarschap, zodat de net afgestudeerden, die zo slim waren geweest hun onderwijsbevoegdheid te halen, af en toe mochten invallen op scholen in Ermelo, Zwolle of Vlaardingen. Alles tegen minimale vergoedingen, uiteraard, en niet zeuren over de reistijd, want voor jou letterlijk 100 anderen.

Ik wilde geen onderwijsbevoegdheid, geen vangnet voor een loopbaan waar ik toch al niet van droomde, en dus lag de weg open voor de meest onrendabele studies. Politicologie, in het bijzonder de Doctoraal Onderwijsgroep Politiek Gedrag van Grote Groepen. Daarnaast Filosofie: zou ik me richten op de cultuurfilosofie of toch meer op de esthetica? Ik herinner me een gesprek met medestudenten, waarin iemand voorzichtig het woord ‘toekomstperspectief’ liet vallen. Algehele hilariteit. Hoe kon iemand zo naïef zijn te denken dat je studie iets te maken had met een toekomstige baan?

Dat waren de tijden, en die waren niet alleen maar grimmig en zwaar, want tussendoor was je ook gewoon weer twintig, met alle voordelen die daar bijhoren. De Sex Pistols zongen ‘There is no future’ en ook als je geen punkfan was, kon je het gelijk van hun boodschap overal om je heen zien. Ik weet niet wat er eerder was: het zwelgen in de doem, of de doem zelf. Wel weet ik dat mijn toenmalige vriendin en ik uitsluitend in het zwart gekleed gingen, en onze aardappelen en witlof in zwarte kleurstof kookten, want er zou eens iets fris en groens op onze borden belanden. Het gold als enigszins ongepast om vrolijk te zijn, of nog erger, vrolijkheid uit te stralen. Dat was iets voor de discojeugd, die de tijdgeest niet helemaal begreep.

Het overheersende gevoel dat me bijstaat was dat van krenking. Je had je middelbare school afgemaakt, je was begonnen met een studie, maar het was zo overduidelijk dat de maatschappij niet op jou zat te wachten. Nederland was nog even opgeschud door de jaren-60-generatie, die in een onnavolgbare beweging van protest en succes zich genesteld had in de samenleving. De klassieke linkse jongens en meisjes waren mijn docenten aan de universiteit. Ze zetten mij en zoveel andere politicologen op een behoorlijk eenzijdig dieet: het gedachtengoed van (neo-)marxisme mochten wij tot ons nemen, dat van het feminisme en van andere, nieuwe sociale bewegingen. Je kon die hele politicologische studie doorlopen, zonder ooit in aanraking te komen met een begrip als rechtstatelijkheid. Democratie, dat was protest aantekenen, ‘fight the powers that be’.

Nog steeds kijk ik met verwondering terug naar die opleiding aan de Universiteit van Amsterdam. Wij behandelden in werkgroepen de femsoc-teksten van Anja Meulenbelt, en haar prachtboekje over China Kleine voeten, grote voeten waarin de warme, ontspannen seksuele relaties in Mao’s dictatuur werden bezongen. Dit college werd gegeven door Anneke van Baalen, een geïnspireerd docent, maar ook een radicaal feministe, die Meulenbelt maar een halve zachte vond, en die, sorry hoor, voor ons jongens maar één elegante oplossing zag: af via de zijdeur, weg van het podium. Er was een werkcollege ‘nieuwe sociale bewegingen’ waar je punten kon verdienen als je zelf kraakte. Dat hoefde niet per se, maar het gaf je wel een voorsprong.

Ook Meindert Fennema gaf daar toen les, de hoogleraar politieke theorie die nu zo vaak zijn tegendraadse stukken publiceert, waarin hij de verdwazingen van links onder de loep neemt. Helaas deed hij dat toen niet, en maakte hij veeleer prominent deel uit van die gekte. Nog steeds kan ik mij er boos om maken, dat we in het vrije, democratische Nederland waren aangewezen op een Noord-Koreaans lesprogramma.

Maar die hele, marxistische geïnspireerde tegencultuur was sowieso de onze niet. Wij, de lichting die zo rond 1960 geboren was, hadden het idee dat Nederland af was, met Provo en het Maagdenhuis en de Karl Marx Universiteit. Wij waren hooguit de garnituur bij een gerecht dat al compleet was. De grote, politieke ambities van de generatie voor ons, de marxistische revolutionairen die de wereld wilden veranderen, om te beginnen met Nederland, klonken ons krankzinnig in de oren. Hoezo, het bestel omverwerpen? Moesten wij op onze beurt dan ook weer onze linkse docenten de deur uitvechten? Nee, je keek wat je kon doen op kleine, bescheiden schaal. Het grote verhaal had zijn glans verloren, de algemene theorie was een lachertje geworden: aan ons de taak onze eigen tuintjes te cultiveren, dicht bij huis, zonder aanspraak op universele pretenties.

Achteraf denk ik dat mijn intellectuele generatie zich gedroeg als kinderen die verwaarloosd waren. We voelden ons miskend, overbodig, en besloten toen dat we de vorige generatie niet gingen bevechten, zoals het hoorde, maar net zo links lieten liggen als ze met ons had gedaan. Ik denk dat de omineuze kreet ‘Jullie rechtsstaat is de onze niet’ die rancuneuze verongelijktheid het beste uitdrukte. Het scheelde allicht dat we geen idee hadden wat een ‘rechtsstaat’ precies was, maar het idee dat we de maatschappij niets verplicht waren, omdat die ons ook niet zag staan – dat was gesneden koek.

En als zo vaak bij verwaarloosde kinderen, overdreven we de kwade bedoelingen van onze ouders en voorouders, en dichtten hen een almacht toe die niet kapot kon. Consideratie was daar niet op z’n plaats. En het idee dat wij met kraak- bezettings- inbraak- en andere acties die rechtsstaat wel degelijk konden verzwakken, was letterlijk onvoorstelbaar. Wij waren klein, zij groot, en daarmee was elke verzetsdaad gelegitimeerd.

Ik heb geen kraakverleden, zoals dat tegenwoordig heet, maar kende veel mensen die gekraakt woonden, en bleef daar, zoals het uitkwam, nachten of weken slapen. Zoals ik nu bijna niemand ken die niet naar een sportschool gaat, zo was het toen met kraken. Het was iets wat je deed, en als je het niet deed vond je eigenlijk dat je het moest doen.

Ik herinner me zo’n logeerkraakpand waar ik een tijdje woonde. Daar ging opeens het kraakalarm, teken voor algehele mobilisatie, want een ander pand werd met ontruiming bedreigd. Je hoorde dan meteen van je stoel te springen en een helm op te zetten, maar ik was ook nog van de rooie flikker en een beetje punk, dus eerst moest ik mijn zwarte lipstick van Dior aanbrengen, en wat woeste vegen onder mijn ogen. Dat was natuurlijk niet de spirit, ik werd meteen uit het huis gezet op beschuldiging van burgerlijke behaagzucht.

Ik wil maar zeggen: het was niet een en al bommen, tanks en gevechten. Meestal won de lulligheid het van welke ideologie dan ook. En vergeet niet hoe ingeburgerd kraken was. Een vriendin van me, die nota bene bij het Amsterdamse corps zat, moest tijdens haar kennismakingstijd verplicht langs vijf kraakpanden, om dat milieu ook eens van binnenuit te leren kennen.

Er waren cafés, galerieruimtes en goedkope restaurants, waar zelfs de toenmalige BVD geen kwaad in kon zien. Natuurlijk was het duidelijk dat idealistische overwegingen hier wel onnavolgbaar soepel overgingen in onversneden eigenbelang, want wat was er nu leuker dan op de grachten wonen, en daar niets voor te hoeven betalen? Het voel mij toen al ongunstig op dat je nu nooit eens hoorde van een kraak in de Bijlmer of in Osdorp, waar toch veel leegstand was.

Ook begreep ik de woede niet die het fenomeen van de antikraakwacht opriep. Dat waren jongens en meisjes die er voor zorgden dat er minder leegstand was in de stad, ze woonden over het algemeen nog ongelukkiger en viezer dan de krakers, en betaalden evenmin een cent. Ja, en later werden die huizen dan verkocht aan mensen die er wel geld voor over hadden. Dit leek mij niet een ondraaglijke misstand.

De verharding van de kraakbeweging en van een club als Onkruit heb ik zijdelings meegemaakt, vanuit een nette huuretage op die niet zo nette Zeedijk. Het werd steeds duidelijker dat een kleine groep verder wilde, harder wilde, terwijl daar steeds minder reden toe was, want de gemeente en de instanties leenden midden jaren 80 wel degelijk een heel welwillend oor aan de oproerkraaiers. We werden alsnog gehoord, Pappa en Mamma namen ons eindelijk serieus. Dat was voor een kleine minderheid, die zich getraind had in verongelijktheid natuurlijk onuitstaanbaar.

Net zo min als bij de studie Politicologie, bestond er in de kraak een idee over democratie – laat staan over het democratisch deficit dat bij elke actie van eigenrichting werd opgebouwd. Daarvoor in de plaats kwam stilzwijgend het recht van de stoerste, het gelijk van de motorhelm.

Die politieke onbenulligheid verdient het om nader onderzocht te worden, niet om minister Cramer (Milieu, PvdA) alsnog aan de schandpaal te nagelen, maar om te onderzoeken hoe zo’n antidemocratisch idee zo massaal om zich heen kon grijpen. Ook de autoriteiten hadden er aanvankelijk geen weerwoord op, alsof ze zelf hun geheugen moesten opfrissen. Democratie, rechtsstaat, hoe zat het ook weer?

Ja, het was een andere tijd, die jaren 80 van de vorige eeuw, maar daarmee is geen enkel excuus gegeven. We spreken nog steeds over de zeer recente geschiedenis. Het zou cynisch zijn als we, net nu we de makke hebben onderkend van het cultuurrelativisme, een nieuw soort ‘tijdrelativisme’ zouden introduceren, waardoor het onmogelijk zou worden te oordelen over kwesties van nog maar zo kort geleden.

De wereld van 1980 was er een van Pieter, Jan Dirk, Dirk Jan, Jan Willem, Juliette, Jet en Nel. Er waren nauwelijks Mohammeds of Fatima’s te vinden. Die woonden denkelijk in Osdorp of de Bijlmer; op een andere planeet zogezegd.

Nog steeds denk ik dat mijn politiek ongeschoolde en onwetende generatie geen fraai voorbeeld is geweest voor de nieuwkomers, die zich in Nederland moesten zien te oriënteren. Wij hadden ze niets te leren, want we wisten het zelf eigenlijk niet. De magere moraal die overbleef was: ‘Zie maar, doe maar, en doe het vooral zelf.’ Het was ook een wereld zonder achternamen, een wereld die je van binnenuit moest kennen, omdat je aan een telefoonboek niets had. Ik zie een nieuwe generatie gebruikmaken van diezelfde schimmigheid, nu zonder zelfs maar te suggereren dat er van een ideologie sprake is. De anonimiteit van het internet is afgekeken van de kraakscene, het gaat niet langer om opbouwen maar afzeiken en afbreken, en dat de grootste bek moge winnen.

Dat is voor mijn generatie geen koekje van eigen deeg, het is wel degelijk een nieuw koekje. Maar er zitten een paar al te bekende ingrediënten in, die het waard zijn opnieuw te bekijken.

    • Stephan Sanders