Er zijn nog maar 1.500 krakers

Er komt mogelijk een kraakverbod. Volgens deskundigen helpt het niet tegen leegstand. Krakers krijgen bovendien amper nog de kans een pand lang te bezetten, zeggen zij.

Niet het handjevol krakers dat Nederland nog telt, maar de leegstand van panden moet worden aangepakt. Dat zegt socioloog en oud-kraker Eric Duivenvoorden. Hij schreef meerdere boeken over de kraakbeweging in Nederland. Volgens hem leidt het kraakverbod dat CDA, VVD en ChristenUnie willen alleen maar tot meer leegstand.

De initiatiefnemers van het kraakverbod willen dat krakers veroordeeld kunnen worden tot twee jaar en acht maanden cel, als zij bij het kraken mensen bedreigen, geweld plegen en al eerder voor kraken veroordeeld zijn.

Op dit moment is Nederland een van de weinige landen waar kraken niet bij voorbaat verboden is. Krakers worden ongemoeid gelaten als het pand langer dan een jaar leeg staat en de eigenaar niet kan bewijzen hij het op korte termijn weer in gebruik neemt. De krakers moeten aantonen dat zij het pand bewonen, bijvoorbeeld met een matras, tafel en stoel.

De Nederlandse kraakbeweging bloeide op in de jaren zeventig. Met het bezetten van panden wilden krakers de heersende woningnood en de verpaupering van leegstaande panden tegengaan. In de jaren tachtig telde Amsterdam tussen de 1.000 en 1.500 kraakpanden, schat Duivenvoorden. Volgens hem zijn dat er nu nog 65. Aangezien Amsterdam iets minder dan de helft van het aantal kraakpanden in het hele land telt, zegt Duivenvoorden, zijn er landelijk hooguit 150 panden en zo’n 1.500 krakers. Begin jaren tachtig waren er nog zo’n 40.000 krakers.

Volgens Duivenvoorden is de verharding waarover partijen in de Tweede Kamer spreken, dan ook relatief. „In de jaren tachtig gingen grote groepen krakers de confrontatie aan met de politie. Daarvan is nu geen sprake meer.”

Wel is de afstand tussen de krakers en de samenleving groter geworden, constateert hij. „De kraakbeweging bevindt zich in een isolement. Krakers zonderen zich te veel af en dat geeft fricties.” Die afzondering is volgens de oud-kraker mede te wijten aan de toename van Oost-Europese krakers in Nederland. Deze jongeren uit landen als Polen, Tsjechië en Hongarije spreken de taal niet of nauwelijks en dat komt de communicatie niet ten goede.

Het klassieke kraken is op zijn retour, zegt Duivenvoorden. Krakers krijgen simpelweg nauwelijks de gelegenheid om leegstaande, vervallen panden voor langere tijd te bezetten. Buiten de grote steden kan dat soms nog wel. Volgens Duivenvoorden lijkt het erop dat krakers daarom steeds vaker zoeken naar panden in dorpen en kleinere steden.

In de binnenstad van Amsterdam zijn volgens hem überhaupt niet veel leegstaande panden meer te vinden. „In die stad is zó veel behoefte aan ruimte, dat oude en vervallen panden meteen onder handen worden genomen. Of er komt nieuwbouw voor in de plaats, óf ze worden gerenoveerd. Het argument dat krakers altijd op A-locaties in het centrum zitten, gaat dus ook niet meer op.”

De discussie over het wel of niet verbieden van kraken is niets nieuws. Tijdens het eerste kabinet-Van Agt stond dat onderwerp al op de agenda. Een paar jaar terug bepleitte het CDA al een verbod. Volgens socioloog Wim van Noort van de Universiteit Leiden heeft het dit keer wél een kans. „Het huidige politieke klimaat is minder gunstig voor krakers. Er wordt niet meer zo veel getolereerd als vroeger. Krakers die op hun gemak barricades opbouwen in de Vondelstraat, dat is nu ondenkbaar. Het lijkt alsof de overheid wil afrekenen met de jaren tachtig.”

De vier grote steden van Nederland zijn tegen de invoering van een kraakverbod. Eind juni hebben zij een brief naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin zij voorstellen doen om de leegstand op andere manieren te bestrijden. Zo zouden eigenaren die hun panden leeg laten staan forse dwangsommen moeten betalen.

De Amsterdamse wethouder Tjeerd Herrema (volkshuisvesting, PvdA) behoort tot de ondertekenaars van de brief. „Van onze suggesties vind ik weinig terug in het wetsvoorstel”, zegt hij. CDA, VVD en ChristenUnie willen dat eigenaren die verzuimen hun leegstand te melden, een boete van 7.500 euro riskeren. Herrema: „Het behoeft geen betoog dat een dergelijk bedrag weinig indruk maakt in de wereld van het vastgoed.” Ook Duivenvoorden vindt de boete „veel te slap”.

Het aantal leegstaande woningen in de grote steden is beperkt. Leegstand doet zich met name voor bij kantoorpanden. In Amsterdam staat 16 procent van de kantoren leeg. Bij de bestrijding van leegstand spelen krakers een grote rol, zeggen de steden. Het feit dat een leeg pand gekraakt kan worden, zet druk op de eigenaar. Bovendien inventariseren krakers voortdurend waar panden lange tijd leeg staan. Daardoor hoeft de gemeente dat niet te doen.

De steden vrezen een toename van de bureaucratie als het kraakverbod van kracht wordt. Bovendien zijn zij bang dat de spanningen tussen politie en krakers zullen toenemen. „We weten natuurlijk niet hoe de kraakbeweging op een verbod reageert, maar politie en het Openbaar Ministerie zullen extra belast worden met de handhaving”, zegt de Utrechtse wethouder Harrie Bosch (wonen, PvdA).

Een ander gevolg van een kraakverbod is vermoedelijk meer aandacht voor antikraakorganisaties, zegt Joost Koenders. Hij is een van de eigenaren van Anti-Kraak B.V. Als tegenbeweging op het kraken, kozen de eigenaren van onroerend goed in de jaren tachtig vaak voor antikraak. Door een pand tijdelijk te laten bewonen werd het beveiligd tegen vandalisme en kraak.

Tegenwoordig zijn er naar schatting tussen de 20.000 en 30.000 anti-krakers. Voor een ‘habbekrats’ – gemiddeld 150 euro per maand – krijgen zij veel woonruimte, meestal in een kantoorpand. Als het kraakverbod er komt moeten eigenaren van leegstaand vastgoed immers verplicht op zoek naar een oplossing. Koenders: „En antikraak is dan een perfect middel, dus wij zullen er baat bij hebben.”

Toch begrijpt hij niet goed dat de overheid het kraken wil verbieden. „Dan ontstaat een underground krakersscene. Ik weet niet of de regering daar blij mee moet zijn. Nu is de kraakbeweging tenminste nog transparant.”

M.m.v. Karel Berkhout en Leendert van der Valk

    • Barbara Rijlaarsdam