En toen sneden ze mijn broer de keel door

Twee burgeroorlogen in Liberia hebben meer dan 200.000 levens gekost. Een waarheidscommissie luistert naar de nabestaanden. „De daders moeten worden gestraft.”

Het slagveld in de straten van Monrovia in 2003 Foto Reuters Damaged cars line empty streets as a battle rages in Liberia's capital Monrovia on July 27, 2003. Liberian rebels rejected U.S. calls on Sunday to withdraw immediately from the capital Monrovia and said amid fresh heavy fighting that they would stay until foreign peacekeepers arrived. REUTERS/Luc Gnago CRB Reuters

Het onafgebouwde raadhuis van Kakata zit vol met leerlingen van scholen in de buurt, die eerder die ochtend een vrolijk lied hebben gezongen ter verwelkoming van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Ruimvallende schooluniformen verlenen de kinderen een air van onbedorvenheid, de meisjes in blauwe matrozenjurken, de jongens in beige broeken en roze overhemden. Ze luisteren naar de getuigenis van een 44-jarige man. De sfeer is opgetogen. Aan de tafel van de commissie hangen zijden strikken. De kozijnen van het gebouw zijn versierd met palmtakken.

De man die voor de commissie verschijnt, is een van de zeldzame getuigen die toegeven in de burgeroorlog voor een rebellengroep te hebben gewerkt. Hij werd, zegt hij, tegen zijn zin ingelijfd bij het National Patriotic Front of Liberia (NPFL) van de latere president Charles Taylor. Zijn oorlogsnaam was Jah B Praised.

Elk van zijn woorden klinkt als een uitroep of een bevel. Er wordt gegniffeld in de zaal, want het is het soort Engels dat iedereen meteen herkent als het lompe dialect van een vechter. Volgt het relaas van een slachtpartij met een kettingzaag waarbij vijftien rebellen in mootjes werden gehakt door de bekende kampcommandant Jack the Rebel.

De Waarheidscommissie maakt aantekeningen. Ze vraagt de getuige naar de structuur van het rebellenleger. Heeft hij ooit te maken gehad met Bush Devil, destijds een beruchte rebel, en met ene Lion? „Dat waren generaals”, zegt hij. „Ik was trouwens ook generaal. Tijdens de oorlog waren we allemaal generaals.”

Kent hij de Marines? „Ja, dat was een speciale eenheid die lichaamsdelen at en mensenbloed gebruikte als zalf. Hun motto was: ‘de dood is beter dan het leven’.” De commissie wil weten waar dat motto op sloeg. „Ik was erbij toen iemand dat vroeg. Ze schoten een kalasjnikov leeg op de benen van een burger. Die viel op de grond, schreeuwend van de pijn. ‘Kijk maar’, zeiden ze, ‘je kunt beter dood dan levend zijn.’ Toen maakten ze hem af.”

Zelf heeft hij nog geen vlieg doodgeslagen, zegt de man die in een ander leven Jah B Praised heette. „Ik moest de boeken bijhouden. Ik hoefde niet naar de frontlinie.” Nee, hij heeft schone handen, echt. In zijn slotwoord dankt hij de Waarheidscommissie voor de aandacht en spreekt de hoop uit dat de schuldigen voor de rechter zullen komen. Hij verlaat de zaal onder warm applaus. De schoolmeisjes in hun blauwe matrozenjurken klappen mee.

In januari begon de Waarheidscommissie van Liberia met openbare hoorzittingen overal in het land. De hoorzittingen worden gehouden in raadhuizen en schoolgebouwen. Iedereen kan komen luisteren. Alle verhalen worden vastgelegd en gearchiveerd.

De commissie zoekt een antwoord op de vraag hoe de Liberiaanse burgeroorlogen (1989-1997, 1999-2003) hebben kunnen ontstaan, en wat voor gevolgen ze hebben gehad voor het land. Zeker is dat ze meer dan 200.000 mensen het leven hebben gekost. De commissie moet eind dit jaar met aanbevelingen komen die „vrede, gerechtigheid en verzoening bevorderen”. De netelige kwestie is: wat te doen met de daders: de commandanten, de vechters, de rebellenleiders?

Een week lang luisteren naar de getuigenissen in de provinciestadjes Gbarnga en Kakata is een week lang luisteren naar pijn en verdriet. Een week lang vallen steeds dezelfde namen. Namen van de facties die begin jaren negentig de plattelandsbevolking terroriseerden. Namen van bekende commandanten die achteloos over leven en dood beslisten. De vaak absurde namen van eenheden die ieder een eigen manier van moorden hadden. Bijna allemaal zijn het slachtoffers die voor de commissie komen.

Getuigen vertellen in feitelijke bewoordingen, in chronologische volgorde, vaak zonder hoorbare emotie, over verlies, verwarring en moord. En toen sneden ze mijn broer de keel door. En toen schoten ze mijn vrouw dood. En toen kliefden ze met een kapmes de schedel van mijn baby. Het zijn gebeurtenissen die iedere Liberiaan heeft meegemaakt.

De zaal luistert, mompelt, schuifelt, lacht en dommelt in. Soms springt iemand op om een getuige te corrigeren. Nooit zit de zaal helemaal vol, behalve op die ene ochtend waarop de schoolkinderen van Kakata een welkomstlied zingen. Misschien komt dat doordat de hoorzittingen live op radio en televisie worden uitgezonden. Misschien komt het omdat de meeste mensen zich niet kunnen voorstellen dat de daders ooit berecht zullen worden.

„Voor buitenstaanders klinken deze verhalen nogal extreem, maar wij kijken er niet van op”, zegt Malyn Mogbeh, een energieke jonge vrouw die haar hele leven in Kakata heeft gewoond en sociaal werkers opleidt bij de katholieke missie. „Ik hoef niet naar de hoorzittingen. Ik heb het allemaal met eigen ogen gezien. Heb je die vrouw gehoord die vertelde dat haar arm afgehakt werd door rebellen? Haar hele dorp is uitgemoord. Zij en haar zus zijn de enigen die de aanval hebben overleefd. Ik bedoel, ik ken deze vrouw. Zij woont twee huizen verderop. Wat mij interesseert: gaat de commissie de schuldigen voor de rechter brengen?”

De commissie luistert voorlopig aandachtig. Aan alle getuigen wordt aan het einde van hun verklaring dezelfde vraag gesteld: is er nog iets dat u kwijt wilt? Een vrouw die verkracht werd door rebellen, vraagt de commissie geld omdat ze in het ziekenhuis naar haar littekens wil laten kijken. Een alleenstaande moeder wier man werd doodgeschoten hoopt op schoolgeld voor haar kinderen. Een schuchtere kleermaker wil graag een nieuwe naaimachine. „Maar u heeft toch al een naaimachine”, zegt Jerome Verdier, de voorzitter van de Waarheidscommissie. „Die is oud”, zegt de kleermaker. „Als die kapot gaat, weet ik niet meer hoe ik voor mijn kinderen moet zorgen.”

Komen deze mensen naar de commissie omdat ze vinden dat de waarheid, hun waarheid, gehoord moet worden? Of omdat ze herstelbetalingen willen? „Het maakt niet zoveel uit”, zegt Verdier (43), een jongensachtige verschijning die een natuurlijke rust uitstraalt. Hij is mensenrechtenadvocaat en de jongste van de negen leden van de commissie, die verder bestaat uit een rechter, een verpleegster, een imam, een bisschop, een pastoor, een maatschappelijk werkster en twee journalisten.

„We leggen steeds uit dat de Waarheidscommissie geen geld uitdeelt. Maar we kunnen niet ontkennen dat er nog steeds veel leed is en dat de meeste mensen niet verantwoordelijk zijn voor de misère waarin ze leven. Als je mensen hier laat komen om hun verhaal te vertellen, dan is het logisch dat ze uitleggen hoe kritiek hun situatie is. Als iemand zegt: mijn huis is verwoest en ik wil een schadeloosstelling, dan zeggen wij: hoeveel huizen denk je dat er verwoest zijn? Honderdduizenden mensen zijn hun huis kwijtgeraakt. Vind je dat de regering hen moet helpen, en zo ja, wat zou je ervan vinden als de belasting omhooggaat? Iedereen begrijpt dat. Maar we sluiten niet uit dat we in sommige gevallen herstelbetalingen aanbevelen, bijvoorbeeld voor oude mensen die al hun kinderen hebben verloren in de oorlog en die niemand hebben die voor hen zorgt. Of voor een kleermaker die een nieuwe naaimachine nodig heeft.”

Dat er in Liberia een waarheidscommissie zou komen, werd afgesproken in 2003, tijdens vredesonderhandelingen die een definitief einde maakten aan de burgeroorlog. Meer dan een vaag idee over de werking ervan hadden de onderhandelaars niet. De veronderstelling dat waarheidscommissies in de regel amnestie verlenen, zoals in Zuid-Afrika gebeurde, gaf de doorslag. Wat de rebellenleiders die rond de tafel zaten, in elk geval niet wilden, was een oorlogstribunaal. Ze waren bang voor een ‘heksenjacht’. Laat de Waarheidscommissie maar bedenken hoe er met oorlogsmisdadigers afgerekend moet worden, was de consensus, en laat ons met rust. Daarmee was de kous af.

Gezien de gewelddadige geschiedenis van Liberia was het niet verwonderlijk dat de kwestie van gerechtigheid zo laag op de agenda stond. Toen Charles Taylor in 1989 zijn bushoorlog lanceerde, was de staat al uitgekleed door dictator Samuel Doe. Sinds het ontstaan van Liberia, in 1847, maakten de Americo-Liberianen, de zwarten met de lichtste huid, de dienst uit. Aan de inboorlingen in de bush hadden ze geen boodschap. Even leek Doe daar verandering in te willen brengen, maar geld en macht stegen hem naar het hoofd.

De burgeroorlog in Liberia was een goedkope oorlog. Al plunderend betaalden de strijders zichzelf. Geen van de daders heeft tot nu toe verantwoording hoeven afleggen. Alleen Charles Taylor is aangeklaagd, door het Internationaal Strafhof in Den Haag, voor oorlogsmisdaden die hij zou hebben begaan in buurland Sierra Leone. Oud-president Taylor wordt door veel Liberianen nog steeds op handen gedragen. Zijn vrienden bezitten de grootste boerderijen en hebben aandelen in de belangrijkste bedrijven. De Waarheidscommissie wordt dan ook met de nodige scepsis gevolgd.

Tegen de boeven die in de hoofdstad Monrovia rondscheuren, kun je toch niets doen, zegt de een. De commissie is gevaarlijk, zegt de ander. Ze haalt oude wonden open. De waarheid brengt de doden niet terug, snuift Mary Kollie die met een snotterige baby op haar rug een winkeltje drijft tegenover het raadhuis waar de hoorzittingen plaatsvinden. Ze verkoopt lucifers en palmolie in plastic zakjes. Schuin houdt ze een oog op de pan die boven een houtvuur balanceert.

Jaren geleden werd Mary uit haar huis verdreven. Haar ouders zijn vermoord. „Aan het verleden denken, doet pijn”, zegt ze. „Dus daar begin ik niet aan. Wat kan de commissie voor mijn kind doen? Gaat ze een huis voor mij bouwen? Welnee. Het enige wat ze doen is geld verspillen.”

Ze tilt het deksel van de pan en wijst naar de inhoud. „Een kop rijst kost vijf keer zoveel als vroeger. Geef mij maar Charles Taylor. I like him badly. Er werd gevochten, maar het leven was niet zo duur.”

Liberianen, verklaart de journalist Ansu Konneh, steken liever hun kop in het zand. „Ze denken niet na over het verleden. Ze wíllen niet nadenken over het verleden. Hoe is het anders te verklaren dat iemand als Prince Johnson sinds 2005 in de Senaat zit? De man wiens naam voor altijd verbonden blijft met de video waarop hij president Samuel Doe dood martelt. Ik kan me niet voorstellen dat zoiets in andere Afrikaanse landen gebeurt.”

„Hier vindt iedereen: wat gebeurd is, is gebeurd”, zegt Konneh, die fervent voorstander is van een oorlogstribunaal. „Maar de oorlog heeft heel veel mensen van een normaal leven beroofd. Ik ken mensen die arts hadden kunnen zijn, onderwijzer, ingenieur, maar wier leven overhoop is gegooid. Terwijl degenen die moorden hebben gepleegd en vrouwen hebben verkracht gewoon vrij rondlopen. De daders moeten gestraft worden.”

Meer dan 50.000 verklaringen tekende de Waarheidscommissie op voordat de openbare hoorzittingen begonnen. De grote afwezigen zijn de daders: strijders, kindsoldaten, oorlogscommandanten. Hooguit 5 procent geeft toe voor een van de facties te hebben gevochten. De rest ontkent. „Natuurlijk ontkennen ze”, zegt de voorzitter van de commissie, Verdier. „Als ze worden uitgenodigd voor de commissie te verschijnen en ze weigeren, dan kunnen ze gedagvaard worden. Het is een optie die we hebben voor degenen van wie we denken dat het absoluut nodig is dat zij openheid geven. Die zullen we zeker gebruiken. We hebben de tijd.”

De Waarheidscommissie is geen formaliteit. Reputaties staan op het spel. Daders kunnen niet langer doen alsof hun neus bloedt. Dat de commissie invloed heeft, werd duidelijk tijdens de eerste openbare hoorzitting in januari. Toen wees een getuige Marcus Davis aan als de persoon die opdracht had gegeven tot de groepsverkrachting van zijn zus die later aan haar verwondingen was overleden. Davis was commandant in Taylors rebellenleger. Tegenwoordig is hij beter bekend als de populaire zanger Sundaygar Dearboy. Hij is ook hoofd entertainment van het presidentiële paleis.

Davis verklaarde „nog geen kip” gedood te hebben. Nieuwe getuigen stapten naar de commissie met belastende verklaringen en de publieke opinie keerde zich tegen hem, hoewel de zanger bleef ontkennen. In april werd een optreden van Davis geschrapt. Zijn muziek wordt nog even enthousiast meegezongen als voorheen, maar zijn naam is besmet.

De kwestie Sundaygar Dearboy heeft ertoe geleid dat andere krijgsheren de waarheidscommissie met argusogen volgen. Senator Prince Johnson verkondigde in februari dat hij er niet over peinsde voor de commissie te verschijnen. Hij had zich al verontschuldigd tegenover de familie van Samuel Doe, zei hij, dat moest voldoende zijn. Afgelopen woensdag kwam de excentrieke Prince Johnson toch zijn verhaal doen. Hij vertelde dat het lijk van Doe verbrand was en de as in een rivier geveegd, iets wat de nabestaanden van de voormalige president niet wisten. Johnson beweerde ook dat hij ‘gebruikt’ was, gemanipuleerd. Maar door wie en waarom, dat legde hij niet uit. Er mag vooral geen oorlogstribunaal komen in Liberia, vindt Johnson. „We moeten elkaar vergeven wat er gebeurd is.” Gerechtigheid is een lange, moeizame weg in Liberia. Niemand weet welke rol het verleden straks zal krijgen.

    • Pauline Bax