De laatste 250 mln. jaar was er altijd genoeg zuurstof

Bosbrand in Californië, 12 juni 2008. AP Photo Firefighters work to contain the Humboldt Fire which has grown to more than an 8000 acre fire on day two of the battle Thursday, June 12, 2008 in Paradise, Calif. Hot temperatures, steady winds and tinder-dry vegetation and trees have fueled separate blazes from Butte County north of Sacramento to the Los Padres National Forest in Monterey County. (AP Photo/Chico Enterprise-Record, Jason Halley) MANDATORY CREDIT Associated Press

Het massale uitsterven van diersoorten in het geologisch verleden is misschien wel nooit het gevolg geweest van zuurstofgebrek. In ieder geval niet bij de overgang van Perm naar Trias (250 miljoen jaar geleden) en bij de overgang van Trias naar Jura (200 miljoen jaar geleden). Dat hebben onderzoekers van University College Dublin in Ierland aangetoond (Science, 29 augustus).

Sinds het ontstaan van de hogere levensvormen, 540 miljoen jaar geleden, hebben zich ten minste vijf gevallen van massaal soortenverlies voorgedaan. Nog steeds hebben deze gebeurtenissen geen definitieve verklaring gekregen. Sommige auteurs hebben een ‘plotseling’ dalende zuurstofspanning als verklaring geopperd. Het zuurstofgehalte van de lucht zou in bepaalde tijdvakken tot wel 10 procent zijn gedaald. (Het huidige gehalte is 21 procent.) Het dierenleven in bergen en hoge heuvels zou daardoor onmogelijk zijn geworden. Claire Belcher en Jennifer McElwain hebben nu aannemelijk gemaakt dat het zuurstofgehalte van de atmosfeer tijdens het Mesozoïcum (dat Trias, Jura en Krijt omvat) nooit lager dan 15, misschien niet eens lager dan 17 procent is geweest.

Vast staat dat in het Mesozoïcum regelmatig enorme bosbranden voorkwamen, dat blijkt uit resten verkoold materiaal en kenmerkende chemische verbindingen in afzettingen uit die tijd. De branden ontstonden vooral door blikseminslag. Belcher verzamelde tientallen vermeldingen in de literatuur. Daarna onderzocht zij bij welke minimale zuurstofconcentratie natuurlijk dennenhout (van Pinus caribaea) en veenmos (Sphagnum spec.) nog branden wilden. Algemeen wordt aangenomen dat aangestoken hout al wil dóórbranden als de zuurstofconcentratie 12 procent of meer is. Belcher ontdekte dat deze onderwaarde moet worden opgevoerd tot 15 procent en misschien wel tot 17 procent. Alleen onnatuurlijk kurkdroog dennenhout brandde bij een zuurstofpercentage van 12, maar zelfs gewone luciferhoutjes, kaarsen en papier hadden méér nodig. Gewoon matig vochtig hout en mos heeft bijna 17 procent zuurstof nodig voor het onderhouden van de verbranding. De concentratie kooldioxide (CO2) is hierop niet van invloed.

Als er in het Mesozoïcum zoveel bosbranden waren, dan kan de zuurstofspanning nooit zo laag geweest zijn dat dieren er last van hadden. Karel Knip

    • Karel Knip