De 21 gram

De ziel bestaat niet. Bij het sterven houden 100 miljard hersencellen ermee op.

Zoals Freud al zei, kennen alle culturen en alle religies het idee van het voortbestaan van ‘iets’ onstoffelijks na ons overlijden. Dat iets wordt de ziel genoemd. Deze wordt verondersteld na het overlijden nog korte tijd in de buurt van het lichaam te blijven om dan voor altijd een plaats elders te vinden. Een Surinaamse obductie-assistent klopt daarom drie maal op de deur voordat hij de opbaarruimte binnenstapt, dan is de ziel gewaarschuwd. Van de Aboriginals in Australië mag de naam van de overledene voor een door de familie bepaalde tijd niet worden uitgesproken of opgeschreven, om de ziel rust te geven.

In de oude Chinese traditie werd voor de ziel een mooie bewerkte koker aan de dode meegegeven, die tot nu toe altijd leeg bleek te zijn. Maimonides (1135-1204), bekend Joods geleerde, gaat in zijn geschriften uit van de onsterfelijkheid van de ziel. Ook volgens de Koran heeft de mens zonder twijfel een ziel en zullen volmaakte zielen onmiddellijk toegang krijgen tot het paradijs.

Er is door de eeuwen heen getwist over het moment waarop de ‘bezieling’ van een nieuw mensenkind zou plaatsvinden. De religieuze visies hierop klinken tegenwoordig nog door in de politiek rond abortus, stamcelonderzoek en embryoselectie. Talmoedgeleerden stelden, net als Aristoteles, het moment van de bezieling van het embryo op veertig dagen zwangerschap. Wellicht omdat dit het moment is waarop het als vruchtje herkenbaar wordt, want voor dit tijdstip wordt het vruchtje als ‘water’ beschreven. Dit standpunt maakt humaan embryonaal stamcelonderzoek in Israël mogelijk. Het moment van de bezieling kende volgens de oude Grieken een geslachtsverschil. Volgens Hippocrates (460-377 v. C.) zou de manlijke foetus op de 30ste dag van de zwangerschap bezield worden en de vrouwelijke vrucht op de 42ste dag. Aristoteles (384-322 v. C.) schatte dat verschil nog wat groter in. De mannelijke vrucht zou zijn ziel rond de 40ste dag van de zwangerschap ontvangen en de vrouwelijke foetus pas rond de 80ste dag. Thomas van Aquino (1225-1274), de Italiaanse theoloog en filosoof, legde eindelijk uit op welk vooroordeel dit geslachtsverschil was gebaseerd. Volgens hem was de vrouw een ‘mas occasionatus’, een man die zijn eindbestemming niet had bereikt (Summa Theologiae I, 92).

In 1906 werden door McDouglas (USA) stervende patiënten met bed en al op een wip geplaatst die als weegschaal diende. Als de patiënt zijn laatste adem had uitgeblazen, werd de kant van het hoofd 21 gram lichter. Hieruit concludeerde McDouglas dat hij ‘de ziel’ had gewogen. Dit is niet consequent, omdat er altijd werd gesteld dat de ziel onstoffelijk was. Dan moet, zou je zeggen, de ziel ook geen gewicht hebben. Het gewichtsverlies op de wip als ons hart ophoudt met kloppen, zal eerder op een herverdeling van bloed tussen de verschillende organen berusten. Maar de omschrijving ‘21 gram’ voor de ziel kom je zelfs nog tegen in de titel van een recente film. Descartes (1662), een gelovig katholiek, stelde dat dieren ‘zielloze automaten’ waren. Dit sluit aardig aan bij de waarneming van McDouglas die geen lichaamsgewichtvermindering bij stervende dieren vond. Enige tijd later heeft professor Twining (Los Angeles) echter vastgesteld dat alle dieren bij de dood enkele grammen tot milligrammen aan gewicht verloren en dus wel een beetje ziel zouden bezitten.

Tegenwoordig is er een universitaire studie die volgens haar naamgeving de ziel zou bestuderen, de psychologie. De psycholoog bestudeert echter niet de ziel, maar slechts het gedrag en de hersenen. Een psychon bestaat niet, een neuron wel. Als je de geest geeft, ga je niet ter ziele, maar is je brein ermee opgehouden. Ik heb nog geen goed argument gehoord tegen mijn simpele conclusie dat de geest het resultaat is van het functioneren van onze 100 miljard hersencellen, en de ziel een misverstand. Het universele voorkomen van het begrip ziel lijkt slechts gebaseerd op de angst van de mens voor de dood, de wens overleden geliefden weer terug te zien en het misplaatste, arrogante idee dat wij zo belangrijk zouden zijn dat er wel iets van ons moet overblijven na het overlijden.

Dick Swaab

De auteur is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen. Vragen en reacties kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl
    • Dick Swaab