Busje schept man

De dader verwijdert zich met kalme tred. De brildrager met aktentas probeert op te staan.

Ik woon zo’n vijfentwintig jaar in Amsterdam en heb altijd incidenten van straatagressie kunnen voorkomen of ontlopen. Altijd zonder kleerscheuren uit potentieel dreigende situaties gekomen. Ik ben er nog steeds niet achter waarom mijn intuïtie me twee weken geleden in de steek liet. Het was ook direct mis.

Het was in de Albert Cuypstraat in Amsterdam, in het gedeelte waar geen markt is en waar de trams rijden. Vrijdagmiddag rond vijf uur, ik was op de fiets. Erg druk op straat. Een jongen van een jaar of twintig liep op het fietspad en zag dat ik hem tegemoet kwam fietsen. Zijn lichaamstaal liet niets te raden over: wat nou, klootzak, ik ben hier de baas, fietspad is van mij. Een Surinaamse of Antilliaanse jongen, een knappe jongen, ongetwijfeld een womanizer. Maar ook: type vechtmachine.

Hoe beoordeelde die jongen de naderende fietser? Man, midden veertig, brildragend, aktentas aan fietsstuur – in de wereld van contactadvertenties zou ik al kansloos zijn, laat staan hier op straat tegenover deze jongen.

Oké, daar doet deze brildrager-met-aktentas niet moeilijk over: wij wijken met de fiets wel even uit en maken een royale boog over de trambaan.

Maar dat besluit moest ik hernemen toen ik een zwart bestelbusje op de trambaan in mijn richting zag komen rijden. Ik maakte de bocht om de jongen iets minder wijd dan ik me had voorgenomen, om het busje te ontwijken. Alles kits, niks aan de hand, ik ontweek zijn blik, maar vlak nadat ik het joch gepasseerd dacht te zijn, werd ik van mijn fiets – ja, geslagen, geduwd, geschopt? Ik weet het niet meer, ik voelde niets aankomen, maar door de uithaal van de jongen viel ik met een boogje van mijn fiets. De luttele seconden die volgden, waren nét genoeg om te beseffen dat het busje mij onmogelijk nog kon ontwijken.

Daarna de klap. Busje schept man.

Onmiddellijk werd ik een personage in een schouwspel waar ik tot mijn verbijstering de rol van slachtoffer speelde. Want: was ik het die op het plaveisel lag te kermen? Was ik het die een vergeefse poging deed om op te staan? Was ik het tegen wie door te hulp schietende omstanders werd gesproken?

Wat ik, los van mijn muitend personage, nog weet, is dit: de Surinaamse jongen draaide zich om en zei: ‘Je was ook veel te dicht in de buurt, man.’ En terwijl het vanuit een surrealistische verte tot me doordrong dat omstanders de politie en 112 belden, merkte ik dat de jongen zich met langzame, ja, bijna kalme tred verwijderde. Achteraf heb ik begrepen van de politie dat niemand van de getuigen hem staande durfde te houden. Terecht, denk ik. Een mes is snel getrokken. Ook hoorde ik later dat de chauffeur van het busje in shock was geraakt na het gebeurde.

De rest is naspel. Omstanders, eerste hulp, shock, ambulance, politie, check-up van mijn benen, zuurstofslangetjes in mijn neus (u ademt niet goed, zei de ambulance-meneer), infuus, ziekenhuis, radiologie, foto’s, verdoving door een opiaat, diagnose. Niets gebroken.

Waarom lukte het dan niet te bewegen? Dat is me inmiddels duidelijk gemaakt. Onderin mijn rug blijkt een aantal wervels te zijn verschoven, waardoor een of meer zenuwen beklemd zijn geraakt. Die zenuwen plegen buitenparlementaire acties die je ‘een groot succes’ kunt noemen. Verder wordt mijn lichaam bewoond door ontwrichtingen en kneuzingen, als gevolg waarvan ik me potsierlijk trekkebenend door het huis beweeg.

Vrienden vragen me hoe kwaad ik ben. Op die jongen. Maar ik heb helemaal geen tijd om kwaad te zijn. Ik heb het te druk met opgelucht zijn. Een fractie van een seconde later en het busje was niet tegen me aan maar over me heen gereden. Die opluchting is zo dominant en aanvallig dat het iets hysterisch krijgt. Al in de ochtend ben ik bekaf van mijn eigen opluchting. Nooit geweten dat opluchting zoveel energie kan opeisen.

Ik koester een merkwaardig wantrouwen voor het personage dat maar niet met mijzelf wil samenvallen, zeker wanneer ik na het gebeurde contact heb met een van de agenten die ter plaatse waren. Op basis van de getuigenverklaringen concluderen die agenten dat er sprake was van zware mishandeling – en of ik daar dan ook aangifte van wil doen, anders kan de politie niets beginnen. Ik begin het personage nóg sterker te wantrouwen. Zware mishandeling: tuttut, nounou. Ik raak ongemakkelijk bij de grote woorden die het personage mij op lijkt te willen dringen.

Een tikje teleurstellend is wel dat het personage soms lijkt te vervagen, mij achterlatend met een gebutstheid die ieder eerlijk en oprecht personage gewoon mee zou hebben genomen terwijl hij zich uit de voeten maakte. Nog steeds is er een hoekje in mijn brein dat koppig blijft beweren dat hier sprake moet zijn van een misverstand.

Zo doe ik doorgaans een à twee uur over het maken van een column. Dit stukje vereiste drie dagen, want vooralsnog laat dat vervelende personage zich nog niet verjagen, met als gevolg dat ik niet langer dan tien minuten achtereen op een bureaustoel kan zitten – daarna linkmiechelt die zenuw weer door of achter die wervels. Daar moeten het personage en ik overigens naar ‘luisteren’, heeft een orthopeed mij uitgelegd. Zo niet, dan dreigt een hernia. Ook al zoiets. Hernia is een woord uit een andere wereld – ik doe daar niet aan, punt. Wat me nu te doen staat is het muitende personage ervan overtuigen dat ik daar niet aan doe.

Joost Zwagerman