‘We moeten tonen wat er in de wereld gebeurt’

Morgen begint in Perpignan Visa Pour L'Image, het festival voor documentairefotografie. „Het is inmiddels een verzamelplaats voor professionals geworden.”

Jean-François Leroy Foto Jacques Grison Fotografie Oprichter documentairefotografiefestival Perpignan Jean-François Leroy over twintigste editie. Grison, Jacques

Rosan Hollak

Morgen begint in Perpignan voor de twintigste keer Visa Pour L’ image, het grote internationale festival voor documentairefotografie. Dit jaar zijn er meer dan dertig exposities te bezichtigen en worden er iedere avond tientallen fotoreportages geprojecteerd op een groot scherm bij de oude kloosterbegraafplaats. Oprichter en directeur Jean-François Leroy selecteert ieder jaar voor het festival de beste fotoreportages. „Ik geloof in de kracht en het belang van de foto, anders zou ik dit niet al zo lang doen.”

Hoe bent u destijds op het idee gekomen voor dit festival?

„Het viel me op dat er twintig jaar geleden op fotofestivals nauwelijks aandacht was voor documentairefotografie. Ik ben toen met Michel Decron, destijds werkzaam bij het blad Photo, voor de lol eens gaan nadenken over een festival voor de fotojournalistiek. Toen we hoorden dat Perpignan op zoek was naar een evenement dat de aandacht op de stad zou vestigen, hebben we een voorstel ingediend. Dat werd geaccepteerd. Het festival is inmiddels een ware verzamelplaats geworden voor professionals. Vorig jaar waren er 250 agentschappen uit 68 landen, 3500 professionals en kwamen er 182.000 bezoekers.”

U bepaalt ieder jaar welke reportages op het festival worden getoond, welke criteria hanteert u?

„Ik zeg altijd dat ik keuzes maak op basis van mijn eigen slechte smaak – ik vind dat ik fouten mag maken. Maar een goede foto wekt een emotionele reactie op, het doet mij het talent van de fotograaf vergeten en prikkelt tot het stellen van vragen.”

Visa pour l’Image staat bekend als een festival voor activisten en militanten.

„Moet een journalist niet juist een activist zijn? Ik zal niet vaak mijn keuze laten vallen op een licht onderwerp, ik heb een voorkeur voor reportages waar de aandacht wordt gevestigd op degenen die het onderspit delven.”

In 1994 wijdde u een hele avond aan de genocide in Rwanda en vorig jaar eindigde de screening dagelijks met een levensgrote afbeelding van de vermoorde Russische journaliste Anna Politkovskaya. Waarom kiest u voor die aanpak?

„Voor mij staat Anna Politkovskaya symbool voor de vrijheid van meningsuiting en het recht voor de journalist op vrije nieuwsgaring. We moeten tonen wat er in de wereld gebeurt. Het is waar dat veel mensen pas wisten wat er in de concentratiekampen plaatsvond toen ze voor het eerst de foto’s zagen van Lee Miller en Margaret Bourke White. Maar tegenwoordig kunnen we overal bij zijn en alles vestleggen. Het is misschien moeilijk om beelden uit Birma of Noord-Korea te krijgen, maar er komt altijd wel iets. En ik beschouw het als een plicht om het te laten zien.”

Is uw aanpak ook ‘objectief’ te noemen?

„Nee, maar dat vind ik ook helemaal niet erg. Als je een hoofdcommentaar in een opinieblad leest, weet je dat de mening die daar wordt verkondigd een bepaalde politieke kleur heeft. Dit festival heeft ook een politieke kleur. Je zal hier maar weinig rechtse mensen aantreffen. Nicolas Sarkozy en Carla Bruni komen hier niet.”

Het festival is vaak bekritiseerd omdat het teveel bloed zou tonen.

„Dat is niet waar. Vorig jaar hadden we 30 exposities, slechts 8 of 9 daarvan bevatten gewelddadige beelden. Maar vergeet niet, dit is een festival voor de reportagefotografie en er is nu eenmaal veel geweld in de wereld.”

In een recent interview heeft u gezegd dat u vindt dat de media steeds meer zijn geneigd de aandacht te richten op amusement.

„Dat klopt, het nieuws over sterren wordt steeds belangrijker. Ik ben niet pessimistisch over de fotojournalistiek, wel over de media. Er worden geweldige fotoreportages gemaakt, die worden hier allemaal getoond, maar ze worden nauwelijks gekocht.”

Valt hier iets tegen te doen?

„Nee die macht heb ik niet. Maar het wordt wel hoog tijd dat we ophouden te zeggen dat de media geen geld hebben. Recent probeerde oorlogsfotograaf Stanley Greene voor een maand naar Afghanistan te gaan. Hij had 8000 euro nodig, dat geld heeft hij niet bijeen kunnen krijgen. Maar als er door een tijdschrift 150.000 euro wordt uitgegeven om de exclusieve publicatierechten op te kopen van de bruiloft van Jean-Paul Belmondo, dan is het ook mogelijk om een fotojournalist voor 10.000 euro naar Afghanistan te sturen.”

    • Rosan Hollak