Vaarwel vrijblijvendheid

De ogen van romanpersonages gaan opeens veelvuldig open voor het leed in de wereld. Literatuur is weer geëngageerd, maar wat levert dat op?

Illustratie Merlijn Draisma Draisma, Merlijn

Het is zover. De literatuur heeft zich eindelijk de straat op laten jagen. Na jaren getouwtrek over de vraag of schrijvers zich nu wel of niet moeten bezighouden met maatschappelijke kwesties, lijkt het pleit beslecht. Riep Ton Anbeek in 1981 al om meer straatrumoer in de literatuur, en herhaalde Joost Zwagerman dat nog eens een kwart eeuw later, nu heeft de actualiteit definitief een plek gekregen in de Nederlandse roman. Van de belangrijkste romans die er het vorige seizoen verschenen, zijn er maar weinig die níet proberen iets te zeggen over de wereld van vandaag.

Immigratie en integratie komen aan de orde in De wandelaar van Adriaan van Dis, radicalisering en terrorisme in Charlotte Mutsaers’ Koetsier Herfst en Nelleke Noordervliets Snijpunt. In het satirische Vladiwostok! van P.F. Thomése gaat het om de verantwoordelijkheden van overheid en burger, net als in M. Februari’s De literaire kring.

De vraag is wat het betekent wanneer romans zulke kwesties aansnijden. Is de actualiteit louter een boeiend decor, of is er sprake van een ethische stellingname? In dat geval zou de literaire auteur, net als een filosoof, uitspraken doen die consequenties hebben in de politieke realiteit. En verandert de wereld van de lezer door deze boeken, of kan die rustig in zijn leunstoel blijven zitten, hoofdschuddend over hoe erg het is gesteld met de wereld? Literatuurwetenschapper Odile Heynders, die onderzoek doet naar literair engagement, legt het onderscheid tussen gewoon ‘actuele’ romans en ware ‘politieke’ romans precies daar: alleen de tweede soort doet een appél aan de lezer in die leunstoel.

De personages in deze romans kunnen in ieder geval niet in hun stoel blijven zitten. Zij worden ruw uit hun zelfgenoegzame leventjes getrokken. Tegen wil en dank moeten ze niet alleen over de wereld gaan nadenken, maar daar ook naar handelen. Neem Mulder uit De wandelaar van Adriaan van Dis. Een hond springt uit een brandend huis in zijn armen en dwingt hem uit zijn elitaire isolement. Mulder ontfermt zich over het dier, dat hem door een onderwereld leidt van zwervers, asielzoekers en Albanese maffialeden. In een Danteske rondgang ontdekt hij een Parijs dat hij niet kende, en dat niet zozeer onder hem ligt als wel bóven hem, in torenflats en benauwde zolderkamertjes. De smerigheid waarmee Mulders smetteloze leven besmet raakt, valt met alle boenwas van de wereld niet meer weg te poetsen, evenmin als de dreigende voorspelling die een Afrikaan hem doet, dat er ‘een razende storm’ van immigranten over Europa zal woeden. Hoewel hij het probeert, blijkt Mulder niet veel te kunnen doen voor zijn dolende medemens. Het enige wat overblijft is ‘jezelf tekort doen zonder een ander tekort te doen’. Één ding is wel veranderd na zijn helletocht: hij staat middenin de wereld en kan de anderen niet meer negeren: ‘Hij liep alleen en zag en rook alles’.

Net zo vergaat het de lerares Nora uit Nelleke Noordervliets Snijpunt. Een Marokkaanse leerling die haar met een mes aanvalt, maakt dat Nora de veilige humanistische waarden waarmee ze is opgevoed, moet bijstellen. Ook via de televisie ziet ze de centra ‘waar woede werd gesmeed, witheet en vloeibaar als staal in een hoogoven’. Ali met het mes blijkt een vijand die zich buiten het systeem plaatst, waarmee Nora’s verlichte en redelijke wapens haar uit handen zijn geslagen. Evenmin valt er nog houvast te vinden in ‘het theemutsbesef dat zij het zo goed hadden gehad en die arme allochtone donders niet’. Zo is Nora terecht gekomen in een ‘vacuüm’ tussen het bezwerend humanisme enerzijds en het onverschillig cynisme anderzijds.

Het is dit ethisch vacuüm waar ook Van Dis’ held in wordt gezogen, een ruimte waar je niet zozeer iets ontdekt over de wereld, als wel over je eigen zelfgenoegzaamheid. Ook de moraal van Snijpunt doet dus denken aan die van De wandelaar: het is onze opdracht te zien en te horen en ethisch te handelen in ons eigen leven. De hellevaart loutert deze personages niet, maar opent wel hun ogen en oren voor de echte wereld.

Wat deze romans aan antwoorden te bieden hebben, is het al met al vrij karig. Inzicht in de ellende blijkt het hoogst haalbare. Maar kan een roman meer dan dat? Wat zou de ethische rol van literatuur kunnen zijn, anders dan de keurige en soms licht ironisch verwoorde machteloosheid die we nu voorgeschoteld krijgen?

Ook die vragen komen uiteraard aan de orde in deze romans. Het probleem is dat ze op die manier toch weer over zichzelf gaan: precies de zelf-reflexiviteit waar de literatuur nu juist van af probeerde te komen. En er zit nog een paradox in deze romans: het ethisch vacuüm blijkt al met al niet zo onvruchtbaar – het levert immers steeds weer een nieuw boek op. De enige ontsnapping uit die tegenstrijdigheden zou zijn om er dan maar het zwijgen toe te doen.

Snijpunt rekent dan ook expliciet af met de rol van literatuur zoals we die kenden. Een heilig geloof in literatuur gaat niet samen met ‘goed leven in ethische zin’. Het heeft volgens Noordervliet geen zin om je als schrijver (of als mens) terug te trekken op een talige berg en de werkelijkheid links te laten liggen – in deze roman is de roman een doodlopende weg.

Dat is voor een romancier natuurlijk een zelfmoordconstructie – geen wonder dat de literatuur keer op keer wordt doodverklaard. De onmacht van Nora en Mulder weerspiegelt die van de literatuur zelf, die zich al evenzeer in een vacuüm bevindt. Terug naar de oude positie is uitgesloten: het eeuwige gelijk van het humanisme is ontmaskerd en het geloof daarin is onhoudbaar geworden. Niemand durft meer te verkondigen dat er een ‘waarheid’ is, die de wereld kan redden als iedereen maar net zo verlicht zal worden wij. Maar de reactie op die gedachte, het cynisme en hedonisme van de jaren negentig, belichaamd door het oeuvre van een auteur als Michel Houellebecq, is evenmin een antwoord. Waar de recente romans voor lijken te kiezen, is de gulden middenweg tussen die twee wegen. Laat ik het ‘sceptische betrokkenheid’ noemen: de positie die Van Dis nauwkeurig beschrijft met: ‘anderen tekort doen zonder jezelf tekort te doen’.

Uiteraard is die vorm van ‘nieuw engagement’ niet alleen in de Nederlands literatuur te zien. Alleen al het feit dat een van de hippe jonge literaire tijdschriften in de Verenigde Staten The Believer heet, geeft aan dat er afscheid is genomen van de scepsis en ironie die aan het einde van de vorige eeuw de boventoon voerden. Literatuur mag, nee, móet weer ergens over gaan. Over een Soedanese vluchteling bijvoorbeeld, zoals in Dave Eggers’ What is the what. De beweging heeft zelfs een naam gekregen: de ‘New Sincerity’. De verleiding is natuurlijk groot om die nieuwe ernst te koppelen aan 11 september 2001, maar het gaat verder terug. Al eerder werd de ironie ‘dood’ verklaard, zonder dat iemand wilde terugkeren naar een heilig geloof in westerse waarden.

Ook in Nederland is de literaire zoektocht naar een zinvolle middenweg tussen engagement en scepsis al langer te zien. Neerlandicus Thomas Vaessens (van wie begin 2009 een studie over dit onderwerp verschijnt) noemt deze positie ‘laatpostmodern’ en ziet de oorsprong ervan al in de vroege jaren negentig, toen een auteur als Marc Reugebrink begon te zoeken naar een uitweg uit de vrijblijvendheid van het postmodernisme. Ook Arnon Grunberg had 11 september niet nodig om zich naar de wereld toe te wenden. ‘De ivoren toren is een mooie fantasie, maar uiteindelijk toch de dood in de pot’, stelde hij in een interview. Zijn maatschappelijke betrokkenheid betekent overigens niet dat Grunberg de ironie dood verklaart, zoals Eggers deed. Grunbergs positie is ingewikkelder en paradoxaler: ‘Iedere werkelijke schrijver is een moralist. De vraag is hoe je dat moralisme verhult’, stelde hij in een kritiek op Eggers. Met zulke uitspraken balanceert Grunberg tussen de ouderwetse en niet meer houdbare ethiek en tussen de al evenmin houdbare postmoderne onverschilligheid.

Dezelfde wiebelige positie kenmerkt M. Februari. Zij publiceerde na 11 september een column waarin ze probeerde ferme taal uit te slaan, maar toen toch moest toegeven ‘rigoureus te kiezen voor de waarde van wikken en wegen’. Haar roman De literaire kring belichaamt diezelfde tussenpositie. Op een bepaald niveau is het een aanklacht tegen de overheid en tegen het establishment. Het schandaal waar het hier om draait, de onbestraft gebleven export van giftige glycerine naar Haïti, met de dood van zestig kinderen als gevolg, is gebaseerd op een echte zaak. Maar niet alleen de leesclub van ‘voortreffelijke mensen’, die deze zaak onder het tapijt schuiven terwijl ze rustig hun verantwoorde romans blijven lezen, moet het ontgelden bij Februari. Er is ook nog de dochter van een van de leesclubheren, de nogal dociele Teresa, die al even onvrijwillig als alle hoofdpersonen in deze post-ironische romans met de waarheid geconfronteerd wordt. In plaats van inzicht kan je hier beter van een catharsis spreken: ‘ze begreep alles’: ‘het ergste is waar’. Wanneer ze de getuigenis van de moeder van een van de gestorven kinderen te horen krijgt, zegt ze tegen zichzelf: ‘Luister’. En ze luistert.

Zo is ze net als de lezer van deze roman, die ook in een stoel geklemd zit en getuige is. En evenals Teresa blijft de lezer met lege handen achter – dit is engagement zonder antwoorden. Voor zover er al een moraal te ontdekken valt in deze ‘waarheidszoekende fictie’ (een term van Daniel Rovers, die volgende week promoveert op onder anderen M. Februari) is dat het principe van de ‘eigen-zwijnenstal-eerst’, dat regelmatig terugkeert in haar werk. Daar is weinig tegen in te brengen, maar wereldschokkend is het niet. De ideologie van de individuele verantwoordelijkheid en van de gulden middenweg prediken is voor de roman geen nieuwe opdracht.

Wil literatuur daarmee breken, dan lijkt zij de weg van het geweld te moeten bewandelen. Charlotte Mutsaers voert in Koetsier Herfst een personage op dat de westerse moraal radicaal afwijst. Hoofdpersoon Maurice Maillot is schrijver, een onschuldige occupatie vergeleken bij de terroristische acties van zijn vriendin Do die voor het ‘kreeftenbevrijdingsfront’ werkt.

Haar strijd betreft weliswaar slechts kreeften, maar wordt op allerlei manieren verbonden aan het islamistisch fundamentalisme van Osama Bin Laden en de zijnen. Do heeft dan ook een foto van Bin Laden op haar nachtkastje staan – niet in de laatste plaats omdat hij zulke mooie gedichten schrijft. In zijn persoon verenigt zich het onverenigbare: het woord en de daad.

In het paar Maurice en Do komen die twee uitersten ook samen: als stel zijn ze de schrijver van het ideale boek, waarin engagement niet louter op papier maar in het echt beleden wordt. Dat geldt vooral voor Do’s extreemste daad: haar zelfmoord als offer aan de kreeften. En als offer aan de literatuur, want Koetsier Herfst zou geen betekenisvol boek zijn zonder haar dood.

Geweld heeft immers iets dat de literatuur alleen nooit zou kunnen bieden. Arnon Grunberg noemt het ‘de totale ernst’ en zelfs ‘de metafysische ernst’. Hij zoekt het engagement van zijn werk daarom ook in het geweld dat erin wordt opgevoerd: ‘het mysterie van de werkelijkheid is niet het mysterie van de geboorte of van het leven zelf, zeker niet van de liefde, maar van het slachthuis’. Daar is van ironie en vrijblijvendheid geen sprake meer, en het is als schrijver zaak om het woord zo dicht mogelijk bij de daad te brengen. Alleen zo kan de literatuur de wereld proberen te ontmaskeren.

Reageren kan via nrcboeken.nl

    • Yra van Dijk