Tegen het twee-denken

Het tijdschrift Nexus viert zijn jubileum met een dik nummer over ‘Europees humanisme’. Is er nog ruimte voor de Europeanen?

Bezoekers van Stonehenge in Zuid-Engeland kijken bij zonsopgang naar een bellenblazer Foto Kieran Doherty/Reuters Revellers watch a bubble as it floats into the air at sunrise on the day of the summer solstice at Stonehenge in Wiltshire, June 21, 2003. HIGH RESOLUTION FILE REUTERS/Kieran Doherty REUTERS BOOKS ON THE ROAD BOOK KD/SN REUTERS

Div. auteurs: Nexus nr 50: Europees humanisme in fragmenten Grammatica van een ongesproken taal. 746 blz. te bestellen via www.nexus-instituut.nl, € 69,50

Tony Judt: Reappraisals Reflections on the forgotten twentieth century. Penguin Press, 449 blz. € 28, 99 (Vertaald door Hanneke Bos en Wybrand Scheffer als De vergeten twintigste eeuw. 488 blz. 49,95)

‘Nadat ik als kind eruditie, cultuur en goede manieren had leren waarderen, ben ik mij heel mijn leven als volwassene bewust geweest van een gestage achteruitgang van die drie waarden.’

Dit schrijft de historicus Adam Zamoyski in de jubileumuitgave, de vijftigste, van het tijdschrift Nexus, een boek van bijna achthonderd pagina’s vol essays van vooraanstaande schrijvers en academici: Europees humanisme in fragmenten.

‘In scherven’ was ook een goede ondertitel geweest, want van de 53 essayisten in de bundel voelt een flink deel zich niet thuis in de wereld van nu. In een beschouwing over de geschiedenis van de Pietá en het ‘hoofse, verfijnde en studieuze’ Europa van Petrarca, verzucht Jean Clair (directeur van het Picasso Museum te Parijs), opeens: ‘Wat is daarvan over binnen het Brusselse Babel, dat zijn geschiedenis vergeten lijkt?’ ‘We leven in duistere tijden,’ schrijft David Dubal, een pianist die studenten aan de wereldberoemde Juilliard School of Music in New York onderwijst in muziekgeschiedenis. Over onderwijs zegt hij dit: ‘Voor jongeren komt het neer op een lange gevangenisstraf, ze wachten samen met miljoenen andere ongeletterden op de dag van hun ontslag richting vergetelheid.’

Het lijkt vreemd dat deze academici en intellectuelen, die leven in een welvarend werelddeel en niet te klagen hebben over erkenning van hun werk, de tijden zo duister vinden. Maar voor wie de verrichtingen van Nexus al langer volgt, is het geen nieuws. Het tijdschrift in boekvorm hoort bij het gelijknamige denk-instituut van de universiteit van Tilburg. De oprichter en directeur, Rob Riemen, heeft een bewonderenswaardig talent om grote namen, van de Duitse filosoof Jürgen Habermas tot de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama aan te trekken – alle stukken in het boek zijn speciaal voor de gelegenheid geschreven. Maar Nexus drukt wel een stempel op de onderwerpen. Riemen ziet het – getuige ook weer zijn twee stukken voorin de bundel – als de missie van Nexus het Europese humanisme in ere te houden, als cultureel- én als beschavingsideaal. De ‘hoge waarden’ die in kunst en letteren besloten liggen, zijn de samenbindende kracht van Europa. In het Europees humanisme op zijn Nexus’ ligt de studieuze, rationele, ja bijna hoofse levenswijze vervat die in de wereld als tegenwicht tegen heethoofdigheid, waan en redeloze wreedheid noodzakelijk is.

Het Europees humanisme als ‘een beschavingsideaal waarin de idee van de menselijke waardigheid de zon van een geestelijk universum is’, zoals Riemen schrijft; het is een claim die weinigen in de postkoloniale wereld nog durfden te maken, maar die in genivelleerde tijden weer aan kracht wint. En de scribenten in Nexus houden het humanistische vaandel hoog, op cultureel en op maatschappelijk terrein; het gaat over Beethoven, Petrarca en Dostojevski en over islam, onderwijs en burgerschap. De duistere tijden, evenwel, komen om de hoek kijken als het om cultuur gaat.

Als grootste vijanden van de hoge cultuur zien Riemen en sommige door hem uitgenodigde auteurs verplatting, commercie en de uitholling van onderwijs. Maar goed en kwaad en cultuur en maatschappij zijn daarmee te overzichtelijk gescheiden; er is bijvoorbeeld geen oog voor de samenbindende kracht die juist uitgaat van diezelfde commercie en verplatting – zoals in de verbroedering-in-voetbal van oud en jong, allochtoon en autochtoon.

Is het Europees humanisme wel bestand tegen de wereld van vandaag? Die sluier van cultuurpessimisme zorgt dat het een benauwde indruk maakt, eerder defensief dan nieuwsgierig. Ook valt op dat zorg om de teloorgang van de klassieke Europese cultuur doet denken aan veranderingsangst: net zo goed een methode om de snelle schokken van globalisering te verwerken als negativisme in de onderste lagen van de samenleving. Gechargeerd: De een klaagt dat niemand meer weet wie Goethe is, de ander loopt achter Rita Verdonk aan. De uitingen verschillen, maar het is hetzelfde gevoel. Het gevoel dat ‘wij’ verdwijnen.

Alleen de Canadese schrijver/politicus Michael Ignatieff gaat hier tegenin als hij schrijft: ‘Publieke en particuliere instellingen bedienen het duurst opgeleide massapubliek uit de geschiedenis.’ En: ‘Wie het naderend einde van het humanisme verkondigt, bezwijkt voor de misantropie waartegen de traditie zich nu juist verzet.’

Een verwant pessimisme valt te herkennen in het nieuwe boek van de historicus Tony Judt (die niet in Nexus staat). In de inleiding van zijn Reappraisals, Reflections on a Forgotten Twentieth Century schrijft hij ‘het afgesneden zijn van de geschiedenis’ als een groot gevaar van deze tijd te beschouwen. We zijn sinds ’89 afgesloten van de debatten die een groot gedeelte van de 20ste eeuw hebben bepaald, schrijft hij. Judts stelling lijkt een excuus voor het bijeenvegen van zijn stukken uit Foreign Affairs, The Nation, The New York Review of Books en andere invloedrijke bladen. Voor een deel bestaat Reappraisals uit mooi geschreven portretten van wat Judt noemt ‘publieke moralisten’, 20ste- eeuwse intellectuelen en schrijvers als Arthur Koestler, Hannah Arendt en Leszek Kolakowski, ‘die van land naar land en van taal naar taal zwierven’. Kosmopolitische, hoog opgeleide, seculiere ballingen, die in staat waren de ‘ideologische illusies’ van hun tijd te doorzien. Dit doorprikken van utopische ballonnen is de werkelijke rode draad in Judts boek. Met zijn laatste stukken, over de blijvende rol van de staat als noodzakelijke beschermer tegen de krachten van de wereldmarkt, prikt Judt op zijn beurt de neoliberale luchtballon door, de illusie van deze tijd.

Een verwante rode draad in Reappraisals is de vraag naar de taak van intellectuelen in de maatschappij. Waar staan zij, nu ‘de grote verhalen van Natie en Geschiedenis en Vooruitgang [...] zo in diskrediet zijn geraakt?’ Judt spreekt zich er niet heel direct over uit, maar zijn boek eindigt onder de kop ‘The Good Society’ met een beschouwing over wat hij ‘de nieuwe sociale kwestie’ noemt: ‘armoede, werkloosheid, sociale uitsluiting’. Alsof de talloze kleine verhalen van de verliezers van globalisering samen het Grote Verhaal van de vroege 21ste eeuw vormen.

Hoe scoren de 21ste-eeuwse intellectuelen van Nexus hier? Niet best, maar ze zijn als intellectuelen nu eenmaal meer op hun gemak met ideeën dan met mensen. Ze diepen het verleden van het Europees humanisme uit, in de hoop de toekomstbestendigheid ervan aan te tonen. Wel erkennen ze bijna en groupe dat de term Europees humanisme een tegenstelling bergt. Hij heeft universele pretenties, maar sluit ook iedereen uit die om de een of andere reden niet als Europees geldt. En dat terwijl zich overal in het verenigd Europa grenzen aftekenen: tussen seculier en religieus, arm en rijk, stedelijk en provinciaals en vooral: hoog- en laagopgeleid.

Sommige Nexus-auteurs hebben over dit type grens behartigenswaardige dingen te beweren. Jürgen Habermas betoogt bijvoorbeeld dat tolerantie meer is dan ‘arrogant gedogen’, en kapittelt het fanatieke secularisme dat elke gelegenheid aangrijpt om religieuze motieven belachelijk te maken. En de Duits-Syrische hoogleraar Bassam Tibi ontsluiert een ondergesneeuwde humanistische traditie in de islam. Het humanisme niet langer zien als een exclusief westerse uitvinding, en het doen van een handreiking aan het islamitisch humanisme, zou al veel schelen.

Zo proberen de denkers van Nexus Europa als het ware bijéén te schrijven, door de wiggen van het twee-denken weg te nemen en het Europees humanisme, zoals het heet, ‘inclusiever’ te maken.

Maar hun cultuurpessimisme is daarbij een forse hinderpaal, omdat het grensoverschrijdend engagement in de weg staat. Cultuurpessimisme houdt hoogculturele humanisten gevangen in een ivoren toren, gescheiden van de massa door een onoverbrugbare gracht van ‘arrogant gedogen’, van dedain, jegens hen die de massacultuur omarmen. En dat helpt niet, in een Europa dat steeds meer bestaat uit parallelle werelden: één voor de hoogopgeleide elite, de internationale intellectuele elite incluis, en één voor de rest.

Het interessantste artikel in de bundel is daarom Europa als archipel na 1989 van de Duitse hoogleraar geschiedenis Karl Schlögel. Zijn stuk gaat niet over humanisme, maar over goedkope vliegmaatschappijen, bussen en boten en vooral over de nieuwe groepen mensen die daar Europa allengs massaler mee doorkruisen. Het laat zien hoe Europa door al die verplaatsingen vanzelf gestalte krijgt in het leven van die groepen: arbeidsmigranten, studenten en toeristen, ‘mensen onderweg die vertrouwen op hun eigen kunnen’, geen intellectuelen misschien, maar mensen van wie de levens zich net zo goed ‘van land naar land en van taal naar taal’ bewegen als bij de helden van Judt.

Van zo’n poging om – wars van hoog-culturele verzuring en met een open blik – een ‘geschiedenis van het nu’ te schrijven, had je er in de Nexus-bundel meer verwacht. Schlögels stuk lijkt als vanzelf de sociale bewogenheid te bezitten waar Judt naar zoekt. En Ignatieff heeft gelijk. Afkeer van de massa maakt Europees humanisme al snel inhumaan.