Slimme dichters gaan achter de muziek aan

Net terug van vakantie en meteen moet er afscheid worden genomen. Van de literatuur nog wel, terwijl het nieuwe literatuurseizoen op het punt staat te beginnen. Gelukkig komt het op een dag meer of minder niet aan, want het bedoelde afscheid stamt van een paar jaar terug. Al in 2005 verscheen L’adieu à la littérature van de Franse hoogleraar Literatuurwetenschap William Marx – pas zeer onlangs heeft Querido er een vertaling van gepubliceerd.

Het is curieus afscheid te nemen van iets dat in het verleden al diverse keren is doodverklaard. Uit eerbied voor de nog levende schrijvers wil Marx zover niet gaan, maar zijn Amerikaanse collega Alvin Kernan (The death of literature) had daar in 1990 minder moeite mee en in mijn boekenkast trof ik ook nog een La mort de la littérature aan uit 1950. Een literatuur die zo vaak kan sterven moet over vele levens beschikken. Het sterven blijkt dan ook in werkelijkheid een verandering te zijn. Terecht betoogt Marx dat literatuur geen tijdloos en vastomlijnd begrip is, maar iets contingents, onderhevig aan een permanente transformatie. Soms pakt die zo grondig uit dat je naar sterke metaforen moet grijpen om de ernst van de zaak te onderstrepen.

Tot zover geen probleem. Zelf heb ik wel eens van het ‘einde van de romantiek’ gesproken om de huidige veranderingen in kunst en literatuur beter te begrijpen. Mij ging het, net als Marx, om de uitputting van een bepaalde opvatting van kunst en literatuur. Niet als gevolg van externe factoren (de beeldcultuur, de commercie of desnoods het weer), maar als gevolg van een interne dynamiek. Door de zaak van binnenuit te bekijken, vanuit de eigen pretenties en vooronderstellingen, doe je de literatuur meer recht dan door haar tot een willoos object van vreemde mechanismen te reduceren.

Marx komt met een schema (triomf, zelfoverschatting, devaluatie) waarop veel valt aan te merken. Enerzijds omdat het als iets onontkoombaars wordt voorgesteld (na een hoogtepunt moet het verval volgen), anderzijds omdat ik zijn concrete historische invulling zeer dubieus vindt: hij is te exclusief op Frankrijk gericht en miskent het primaat van de Duitse romantiek, hij verwart literaire pretenties met hun reële weerklank en hij zit er soms gewoon naast (het is onzin Théophile Gautier het vaderschap van l’art pour l’art te ontnemen en hem tot een ‘politiek geëngageerd’ auteur om te toveren). Maar het grootste bezwaar is dat Marx literatuur gelijkstelt aan poëzie.

Nu hebben meer mensen dat gedaan, de romantici onder anderen: voor hen vormde ‘poëzie’ de kern van alle kunst. Maar zij namen die poëzie wel heel ruim en beschouwden ook staatslieden, historici, uitvinders en ontdekkingsreizigers als dichters. Marx bedoelt gewoon dichtkunst, verzenmakerij. Dat is volgens hem de meest geavanceerde en daarom meest representatieve vorm van literatuur, waaraan de stand van de hele literatuur zich laat aflezen. Over het proza, in het bijzonder de roman, horen we hem opvallend weinig.

Zo zet hij de vele gedichten die in de 18e eeuw werden geschreven naar aanleiding van de aardbeving van Lissabon (1755) af tegen Adorno’s uitspraak dat het ‘barbaars’ zou zijn om na Auschwitz een gedicht te schrijven. Destijds wist men nog raad met rampen en rouw, tegenwoordig staat de literatuur met lege handen. Waarom? Omdat zij zelf de band met de werkelijkheid en het leven zou hebben doorgesneden door zich terug te trekken in een autonoom bastion waar nog alleen de vorm telt. Dit lijkt me een grove karikatuur en bovendien wel zeer onrechtvaardig tegenover alle romanciers die zich niet alleen met Auschwitz hebben ingelaten maar ook met alle andere belangrijke aspecten van de 20e eeuwse werkelijkheid. Bij Mann, Gide, Levi, Grass, Hermans, Mulisch, Tišma, Coetzee of Tournier gaat het echt niet alleen om de vorm.

De roman is op zichzelf een vormeloos genre, dat wil zeggen: hij kan alle mogelijk vormen aannemen en als zodanig heeft hij ook de poëzie opgeslokt. In elk geval heeft hij de poëzie van de eerste plaats verdreven. Dat men toch nog altijd gedichten is blijven schrijven, doet daar niets aan af. Van die poëzie kun je inderdaad zeggen dat zij een ietwat kwijnend bestaan is gaan leiden, wellicht vanwege een steeds exclusievere concentratie op de vorm. In het slechtste geval leidt dat tot vrijblijvende Spielerei, in het beste geval tot een even rijke als geconcentreerde mededeling die niet direct door het verstand is te vatten, maar die het gemoed midscheeps kan treffen als een geslaagde popsong.

Nu we het er toch over hebben – misschien zit de grootste vitaliteit van de poëzie tegenwoordig wel in de popmuziek. Daar vind je ook wat de romantici er ooit van verlangden: zin, identiteit, sociale cohesie. Slimme dichters gaan daarom weer achter de muziek aan; als popsterren beklimmen ze het podium en verdraaid, het publiek geeft opeens weer acte de présence.

Of hun gedichten ook literatuur mogen heten, blijft natuurlijk de vraag. Zo komen we terug bij de kern van Marx’ problematiek: de contingentie van het literatuurbegrip. Wat literatuur is spreekt niet vanzelf, vooral niet wanneer haar veranderlijkheid een crisis-achtige urgentie lijkt aan te nemen. Hier ligt, dunkt me, een taak voor de kritiek, ware het niet dat Marx ook dáárvan het einde afkondigt. Het is aan de critici om van dat einde een transformatie te maken – bijvoorbeeld door zich minder te beperken tot consumentenvoorlichting en, uitgedaagd door Marx’ provocaties, een serieuze poging te wagen de betekenis van literatuur opnieuw te formuleren.