Schedel in het Rijks

Het platina afgietsel van de menselijke schedel is integraal bedekt met 8.601 witte diamanten en één druppelvormige roze edelsteen op het voorhoofd. Het heet For the Love of God. Het is gemaakt door Damien Hirst (1965), de kunstenaar die in de jaren negentig gold als het boegbeeld van de kunstenaarsgroep Young British Artists. Hij werd in 1991 wereldberoemd met zijn haai op sterk water, het omstreden werk The Physical Impossibility of Death in the Mind of Someone Living (De fysieke onmogelijkheid van de dood in de geest van een levende).

Deze week werd bekend dat For the Love of God, na zijn première in Londen, „op wereldtournee” gaat, als een popster. De primeur is voor Amsterdam. Vanaf 1 november wordt de schedel zes weken tentoongesteld in het Rijksmuseum. Dat museum is veel wereldberoemder dan Hirst, dankzij een onomstreden collectie 17de-eeuwse Hollandse Meesters, met topstukken van Rembrandt, Vermeer, Hals.

Hirst heeft er alle belang bij om zijn kunstwerk in het Rijksmuseum te exposeren. Onder dat dak schaart hij For the Love of God in de rangen van de grootste kunst van de wereld. Maar Hirst is ook weer niet een compleet vreemde eend in die bijt. Rembrandt choqueerde de burgerij net als hij, zowel met zijn schilderijen als met zijn exuberantie.

En het Rijksmuseum? Massale toeloop krijgt het al elke dag. Hoort het exposeren van Hirst tot de opdracht van een Nederlands nationaal museum dat zich toelegt op klassieke kunst? Of verkoopt het museum zijn ziel?

Het Rijksmuseum kan veel winnen bij For the Love of God. Het museum neemt zijn rechtmatige plaats in als eerste in de rij van internationale musea voor klassieke kunst die zullen volgen met het tonen van For the Love of God. Het brengt leven in de bouwput die het door vertraagde renovatie geteisterde Museumplein is, met iets spraakmakends dat geen toeristenval is, maar nadrukkelijk bedoeld voor het Nederlandse publiek.

Minstens zo belangrijk is dat het Rijksmuseum een 17de-eeuws kunstgenre actueel maakt: de vanitas – de kunst die de beschouwer met lugubere stillevens inwreef dat „Eeuwigh gaat voor oogenblick” (Joost van den Vondel, Kinder-lyck), omdat de dood altijd wint.

Door, in samenwerking met Hirst, de diamanten schedel te spiegelen aan memento mori-schilderijen uit de Gouden Eeuw en aan de schimpscheuten naar luxe en decadentie van bijvoorbeeld Jan Steen, legt het Rijksmuseum een relatie tussen de hypocrisie van de inhalige VOC-mentaliteit met het gedachteloze 21ste-eeuwse consumentisme.

For the Love of God is een meesterwerk en het is ook een ultrapoenig ding. Daar moet over gediscussieerd worden. Het Rijksmuseum begeleidt dat debat met de vaststelling dat kunst sinds eeuwen een serieuze partner is in het gesprek over leven en dood. Het legt via de kunst een lijn van verleden naar heden en weer terug.

Daarmee vervult het een kerntaak.