Positief zijn en toch diepzinnig

De voorstellingen van theatermaker Laura van Dolron vormen een boeiende zoektocht naar een nieuwe vorm van idealisme: de wereld verbeteren zonder je doorlopend slecht en schuldig te voelen. „Mijn boodschap is altijd hetzelfde: probeer een goed mens te zijn.”

Laura van Dolron en Dion Vincken vorige week op het Lowlands festival in de voorstelling ‘Laatste nachtmerrie’ Foto Daniëlle van Ark Laura van Dolron in 'Laatste Nachtmerrie' met Dion Vincken en Wouter de Jong Juliet tent Lowlands 2008 foto: Dani‘lle van Ark Ark, Daniëlle van

Voorafgaand aan het gesprek mailt theatermaker Laura van Dolron een waarschuwing: „Ik heb wel een raar huis, meer een soort schets van een huis. Min of meer een plek om te wonen. Meer min dan meer.” Bij binnenkomst blijkt wat ze bedoelt: op een paar donkerbruine meubeltjes na is het huis leeg, aan de muur druk behang met gouden bomen vol pauwen. Van Dolron is kraakwacht in een ontruimde woning. Ze heeft geen moeite gedaan om de woning de hare te maken. Of juist wel: het negeren van de uiterlijke vorm is haar meest in het oog springende stijlkenmerk: „Ik leef in mijn hoofd.”

„Mmm, even kijken... die ribfluwelen broek lijkt me wel wat...” Ze staat voor haar kledingkast, waar zij al haar kleren ongeordend in heeft gepropt, en zoekt haar kostuum uit voor haar voorstelling van die avond: „Ik draag altijd gewoon mijn eigen kleren, met als belangrijkste voorwaarde dat ze niet opvallen. Dus ik draag op het podium nooit hakken of rokjes. Anders let het publiek daarop, en niet op wat ik zeg.”

Als opmerkelijke jonge theatermaker werd Laura van Dolron (1976) reeds bekroond met de BNG Nieuwe Theatermakersprijs en de Charlotte Köhler Prijs, en over twee weken krijgt zij de Erik Vos Prijs. Haar voorstelling Laatste nachtmerrie, waarin ze in gesprek gaat met Bush over „nobele leugens” in de politiek, is geselecteerd voor het theaterfestival TF-1, dat de komende weken in Amsterdam de tien beste voorstellingen van het afgelopen seizoen toont.

Zelf noemt zij haar voorstellingen stand-up philosophy. Ze gebruikt de vorm van de stand-up comedy: zonder decor of andere aankleding staat ze als zichzelf op het podium en houdt een losse, beschouwende monoloog. Maar de grapdichtheid is laag – of beter gezegd: de lach is niet haar hoofddoel – en de inhoud van haar beschouwingen is veel intelligenter dan gebruikelijk in de stand-up comedy. Meestal grijpt ze naar een boek of documentaire, vertelt die na, en geeft daar haar commentaar op. Doorgaans gaat ze een dialoog aan met bekende denkers en politici: president Bush, premier Balkenende, schrijver Jean-Paul Sartre, schrijver Henry Thoreau, God, en cineast Lars von Trier. Ze ontleedt hun gedachtegoed, zet haar eigen ideeën en ervaringen ertegenover, en onderzoekt wat we ermee kunnen in het dagelijks leven.

Bovenal zijn het bijzondere voorstellingen, waarin de toeschouwer wordt meegevoerd in de gedachtegang, om dan plots door Van Dolron een hoek om te worden gesleurd. Zo begint Lieg ik soms met een lange tirade tegen het domme, zichzelf feliciterende idealisme van Amerikanen, om in de tweede helft ineens om te slaan in een tirade tegen de arrogante Noord-Europese intelligentsia, zijzelf en haar publiek incluis: de Amerikanenhaat, de ijdele pose van zelfhaat, de alles vernietigende scepsis, de afkeer van idealisme, en vooral het gemakzuchtige gebrek aan geloof in de waarheid en het goede. Van Dolron concludeert dat de Europese scepsis hoe dan ook tot niets goeds leidt. En dat idealisme en fanatiek geloof in het goede weliswaar tot Adolf Hitler kan leiden, maar ook tot Martin Luther King en Mahatma Gandhi.

Van Dolron: „Eigenlijk lees ik niet veel. De documentaires en de boeken die ik gebruik, komen allemaal van een Britse jongen die heel lang mijn geliefde was. Hij is mijn intellectuele adviseur en sparring partner. Met hem kan ik urenlang discussiëren aan de telefoon, waarbij de cultuurverschillen lekker botsen. Nederlanders hebben een opgeruimde pose, getraind om in de conversatie het positieve te benadrukken, te zoeken naar de oplossing van een probleem. Britten helemaal niet, die willen de zwaarte van het ongeluk zo gevat mogelijk onder woorden brengen. Terwijl ik zo mooi mogelijk mijn droom wil beschrijven, in de hoop dat hij uitkomt. Als er bij mij iets misgaat, geef ik de schuld aan mijzelf. Als bij hem iets misgaat, ligt het aan het lot, de wereld, de politiek. ‘Fuck the system’ betekent voor Britten echt iets. Dat ligt ook aan het klassensysteem. Je word geboren in een systeem waarvoor je niet hebt gekozen. Het politiek bewustzijn is veel groter dan hier. Die botsing tussen mijn optimisme en zijn woede gebruik ik in mijn voorstellingen.”

Van Dolron is een wereldverbeteraar.

Met haar voorstellingen wil ze de toeschouwers aan het denken zetten, en hoopt ze hun gedrag te veranderen. Zoals ze Sartre citeert in Existential Make-over: „Iedere daad die een mens verricht is een voorstel voor de hele mensheid. Een mogelijk antwoord op de vraag hoe mens te zijn.”

Van Dolrons voorstel bestaat uit haar voorstellingen. Bij elkaar vormen ze een boeiende zoektocht naar een nieuwe vorm van idealisme. Haar politieke filosofie omvat ongeveer het gangbare linkse gedachtengoed. Ze is tegen de Amerikaanse oorlogen, tegen het kapitalisme en consumentisme, dat slecht voor het milieu is en slecht voor de derde wereld. Ze vindt dat westerse machthebbers als Bush en Balkenende enorm profiteren van het individualisme: niets is makkelijker onder de duim te houden dan een kudde die denkt geen kudde te zijn, en die alle ellende aan zichzelf wijt.

Wat het dominee-achtige betreft zou je haar kunnen scharen bij cabaretiers als Freek de Jonge en Jan Jaap van der Wal. Maar afgezien van het ontbreken van de grapdwang, heeft zij ook niets van de oud-linkse stelligheid en het doemprekerige, zoals belichaamd door Thoreau in Walden Revisited. Ze kent haar tekortkomingen, en die van andere mensen, en ze zoekt veranderingen in het kleine: luister en kijk meer naar elkaar, wees aardig voor elkaar, zorg voor elkaar. Ze is tegen pessimisme en scepticisme. Je moet positief en actief werken aan het verbeteren van de wereld, zonder je slecht, schuldig en machteloos te voelen. Je moet twijfel en relativering toelaten zonder alles kapot te relativeren.

Van Dolron: „Mijn boodschap is: probeer een goed mens te zijn, in ieder geval het beste mens dat in je vermogen ligt. Dat is simpel, voor de hand liggend, positief, en daarom eng om te brengen. Pessimistisch toneel heeft bijna automatisch een zweem van diepgang. Terwijl een positieve boodschap meteen plat en naïef lijkt.”

De oude boodschap klinkt toch als nieuw omdat ze deze verpakt in prikkelende dialogen, waarbij ze op geestige, eerlijke wijze alle hoeken van haar gedachtegang afloopt, en de toeschouwer verleidt mee te denken. Door de wisselbaden van woede, overpeinzingen, humor en ontroering kan ze de meest naïeve of prekerige gedachtenspinsels verkopen. In Laura en Lars gaat ze bijvoorbeeld op zoek naar „het kind in zichzelf”. Dat is doorgaans een ergerniswekkend clichématig staaltje van damesbladenpsychologie, maar Van Dolron komt ermee weg, omdat ze zo oprecht kwetsbaar is, omdat ze zich durft bloot te geven, omdat ze zichzelf zo eerlijk en kritisch ontleedt. Je ziet ook meteen voor je hoe het kind in haar eruitziet: blijmoedig, praatziek, brieven schrijven tegen de zeehondenbabyjacht naar Achterwerk van de VPRO-Gids.

Van Dolron: „ In een van mijn eerste voorstellingen, Existential Make-over, gaf ik mijn spelers als opdracht: probeer in één uur tijd de wereld te verbeteren. Ze waren eerst verlamd van angst, ze dachten dat het publiek hen zou afmaken. Maar het publiek herkende juist de angst om je serieus uit te spreken over wat je gelooft.”

De losse, polemische vertelvorm vond ze per ongeluk op de Theaterschool in Maastricht: „We zouden Orgie doen, van Pasolini. Tijdens de eerste lezing heb ik een heel pak rijstwafels opgegeten. Na afloop zei ik: ‘Dit is zo saai. Ik snap er geen reet van.’ De anderen reageerden opgelucht lacherig. Ze hadden wel gedaan alsof ze het begrepen, maar ze hadden ook geen idee. Nu hadden we een probleem. Door die ervaring heb ik geleerd: als je tijdens de repetities een probleem tegenkomt, dan heb je geen probleem, maar een scène. Dus hebben we een voorstelling gemaakt over onze worsteling met Pasolini. Zo is het gekomen.

„Ik ga niet graag naar theater, omdat ik niet zo goed tegen het onoprechte kan. Ik haat het als er moeilijke woorden in een voorstelling voorkomen, die de dramaturg thuis heeft opgezocht, en die de acteur dan brengt alsof hij die woorden al zijn hele leven gebruikt. Zo sluit je het publiek buiten. Je moet de toeschouwer juist het werkproces laten zien, dan kan hij erin meegaan. Acteurs verdwijnen vaak volledig achter hun tekst. Ze gaan bijvoorbeeld hun plezier staan ontkennen, omdat ze iemand spelen die het moeilijk heeft. Dan denk ik vaak: in het café vind ik je beter. Iemand kan bijvoorbeeld heel leuk vertellen over zijn vakantie in Griekenland, maar als hij dan de Odyssee doet, klinkt het meteen alsof hij nooit ergens geweest is. Wat ging er verloren tussen café en podium? Ik wil juist wel mijn plezier en onzekerheid tonen. Mijn werk moet een reclame zijn voor de twijfel. Ik begin wel stellig, maar toets deze vervolgens aan mijn twijfels, zodat ik mijn stelligheid steeds kan bijstellen. Het moet vooral geloofwaardig zijn. Ik sta er zoveel mogelijk als mijzelf. Ik zwaai ook altijd als mijn ouders de zaal binnenkomen.”

Als hoogtepunt van eigen onoprechtheid noemt Van Dolron de première van de monoloog Mijn naam is Rachel Corrie, over de 23-jarige Amerikaanse activiste die 2003 in een Palestijns vluchtelingenkamp door een bulldozer van het Israëlische leger werd overreden. Het Britse stuk is opgebouwd uit dagboekfragmenten en e-mails van Corrie, en vormt een emotionele aanklacht tegen de Israëlische mishandeling van de Palestijnen. Het eigen commentaar van Van Dolron ontbrak ditmaal: „Rachel Corrie staat heel dicht bij mij. Sommige van haar mails hadden zo van mij kunnen zijn. Dat was niet het probleem. Maar de voorstelling eindigt met haar dood, en daarna kwam het applaus. Toen was ik zo blij en opgelucht dat het goed was gegaan. Maar ja, het publiek zat zwaar aangedaan in de stoelen. Terwijl ik dacht: Yes! Ik krijg bloemen! Dus heb ik mijn lach verborgen achter een aangeslagen pose. Dat was het meest geacteerde moment van de avond.”

Twijfelend voor haar kledingkast

bekent Van Dolron in het dagelijks leven wel degelijk rokjes en hakken te dragen. Hoe zit het dan met haar claim van oprechtheid? Theater kan toch niet anders zijn dan gestileerd, kunstmatig?

„Natuurlijk is het onecht. Ik heb een mooi samenhangende tekst geschreven. Die breng ik alsof ik het ter plekke bedenk, met gespeelde boosheid en gespeelde denkpauzes. Maar ik probeer wel zo waarachtig mogelijk te zijn. De podium-Laura moet dicht bij de echte Laura liggen. Wat ik daar zeg, vind ik ook echt.

„Die rokjes en hakken laat ik ook thuis omdat ik daar niet als ‘vrouw’ wil staan. Dan gaan de mensen me misschien schattig vinden, en dan luisteren ze minder. Als een man op het podium staat, dan is hij ‘de mens’. Als je een vrouw neerzet, dan is ze ‘de vrouw’. Nooit ‘de mens’. Daarbij komt dat vrouwenrollen meestal neerkomen op hoer of heilige. Dat zeg ik in Laura en Lars: ‘Hoer of heilige, je moet kiezen. Rokje omlaag, rokje omhoog.’

„Ik heb het hier-en-nu-gevoel nodig omdat ik de mensen wil verbeteren. Daarvoor moet ik mijn publiek rechtstreeks aanspreken. Daar gaat het om. Die antivorm past daar toevallig het beste bij. Ik maak niet bewust antitheater. Ik wil het theater niet veranderen, ik wil alleen maar de wereld veranderen.”

    • Wilfred Takken