Parijs wordt mede door de vélib’ een echte fietsstad

Het fietsverkeer in Parijs is vorig jaar met 70 procent toegenomen. Dat is mede te danken aan de ‘Vélib’, het systeem van openbare fietsen. Maar niet alleen.

De fiets wordt normale verschijning in het Parijse straatbeeld. Fietsen was in het verleden vooral een vrijetijdsbesteding, nu wordt de fiets een serieus transportmiddel. Foto Reuters Paris commuters cycle to work during a continuing transport strike November 19, 2007. French transport unions will vote Monday on whether to end the strike, over pension reforms, which has dragged on for six days. REUTERS/Mal Langsdon (FRANCE) REUTERS

Toen Stéphanie Foulgoc (22) uit Rennes vorige zomer naar Parijs verhuisde, was de stad niet meer wat ze geweest was. Auto’s waren er nog wel, veel auto’s, steeds meer scooters ook, en de vertrouwde metro-ingangen vol reizigers.

Maar wat opviel, dat waren de fietsen. Grijze, onelegante zware maar kennelijke populaire monsters: ze waren overal. Vélib’ stond erop, het nieuwe Parijse systeem van fietsen voor gemeenschappelijk gebruik. Tienduizend exemplaren toen, te gebruiken in ruil voor een goedkoop abonnementje. Stéphanie Foulgoc hapte toe.

En daar fietst ze nu, een jaar later. Gracieus rechtop, met een helm over haar donkerbruine haren, glijdt de rechtenstudente routineus over Boulevard Saint Michel. Netjes wachten voor rood, even inhouden als een stroom auto’s opeens voor haar langs naar rechts wil. Vindt ze Parijs een fietsstad? Ja, zegt Stéphanie zonder aarzelen. „Het is de snelste en goedkoopste manier om te reizen hier.” Achter ons begint een grote groene bus te rinkelbellen.

Maar kijk eens. Ze rijdt op een rode ‘Hollandse fiets’, zoals het klassieke model stadsfiets hier genoemd wordt. Waarom niet op een Vélib’? „Er was altijd wat mee”, zegt ze laconiek. Er was geen fiets vrij als ze er een nodig had, of het station was juist vol als ze er een kwijt moest. En kapotte fietsen, veel kapotte fietsen. Ze heeft het een maand volgehouden. „Als je veel fietst, kun je er in Parijs beter zelf één hebben.”

Parijs als fietsstad – met dank aan de Vélib’? Volgens de prefectuur van de stad is het fietsverkeer in de hoofdstad vorig jaar met zeventig procent toegenomen. Vélib’-gebruikers hebben daarin een aanzienlijk aandeel. Volgens straatmeubilairbeheerder JCDecaux, dat het systeem voor de gemeente beheert (in ruil voor reclameruimte), is op de Vélib’-fietsen in het eerste jaar 25 miljoen keer gefietst. Op drukke dagen worden er zo meer dan 120.000 ritjes gemaakt. Het aantal fietsen is intussen uitgebreid naar 16.000 – en dat waren er nog meer geweest als er niet ook veel kapot gingen en gestolen werden: meer dan drieduizend in het hele jaar. Er zijn 200.000 jaarabonnees.

Vorige maand vierde burgemeester Bertrand Delanoé de eerste verjaardag van de Velib’ met een triomfantelijk tochtje met 350 ‘geluksabonnees’ over de Champs Elysées. En het meest spectaculaire teken van succes: Vélib’ wordt, vanwege de grote vraag, binnenkort uitgebreid naar dertig randgemeenten van Parijs.

Toch is Vélib’ niet het hele verhaal. De stadsfiets valt op straat op omdat hij er altijd is – rijdend of vastgehaakt aan zijn parkeerpaal annex administratiestation. Maar als je goed naar fietsers kijkt, zie je dat ze minstens even vaak op niet-Vélib’s rijden.

Is Parijs dan echt een fietsstad geworden? Er is inderdaad een „echte omslag”, meent onderzoeker Anaïs Rocci, verbonden aan het Franse instituut voor transport en veiligheid Inrets. Een paar jaar geleden bleek uit haar onderzoek dat mensen in Parijs de fiets overwegend als een middel voor vrijetijdsbesteding zagen. Nu beschouwt men de fiets als een serieus transportmiddel dat zich in de stad in effectiviteit kan meten met de auto of het openbaar vervoer.

Dat betekent niet dat er opeens een fietscultuur is ontstaan, zoals in Nederland. De fietser is geen koning. Auto’s voorbij rijden voor het stoplicht durft lang niet iedereen. Voetgangers zijn er niet aan gewend dat er fietsers vlak langs hen scheren.

Na drie dodelijke ongelukken deelt de Parijse politie de laatste tijd extra gretig boetes uit aan brutale fietsers. De prefectuur onderstreept dat in de eerste drie maanden van dit jaar het aantal ongelukken met twintig procent is gestegen. Fietsers grossieren vooral in kleine, onschuldige botsinkjes.

De scherpe politiereactie roept ergernis op bij Pierre Toulouse, van een van de oudste Parijse fietsbonden, Mieux se Déplacer à Bicyclette (MDB). „Repressie is het enige antwoord dat de politie kent”, moppert hij in het kantoor van de vereniging vlak bij Montparnasse. Hij vreest dat de angst voor ongelukken de groei van het aantal fietsers remt. Hij zelf vindt de fiets in Parijs ideaal. Elke morgen en avond fietst hij twaalf kilometer van en naar zijn werk. Van de voorstad Vanves in het zuiden naar La Défense in het westen. Veertig minuten, net als met het openbaar vervoer. Met de auto duurt het in de spits vaak een uur. „Het enige nadeel is dat je op de fiets niet kunt lezen”, vindt Toulouse.

MDB werd vijfendertig jaar geleden – juist toen de fiets uit Parijs aan het verdwijnen was – opgericht door een fietser na een botsing met een bus. Nu nog is groot verkeer van vrachtwagens en bussen – samen met openzwaaiende autodeuren – de belangrijkste oorzaak van zware ongevallen. Volgens Toulouse helpt het daarom niet fietsers te bekeuren als ze door rood rijden – hetgeen volgens gemeentecijfers bijna 40 procent doet. „De fietser moet zijn eigen plaats in het Parijse verkeer krijgen. Rechtsaf door rood of het afschaffen van eenrichtingsverkeer voor fietsers zou veel logischer zijn.” Over dat laatste denkt de gemeente na.

Volgens onderzoeker Anaïs Rocci is angst voor autoverkeer steeds minder een drempel voor de Parijse fietser. Vélib’ heeft geholpen door de macht van het aantal, denkt zij: „Hoe meer fietsers, hoe kleiner de kans op ongelukken.” Het afgelopen jaar bleek uit enquêtes dat de grootste ergernis optreedt tussen voetgangers en fietsers, meer dan met automobilisten. De fietser hoort bij het kleine verkeer.

We zijn voor de grote groene bus uitgeweken naar het trottoir. Niemand protesteert. Stéphanie Foulgoc vertelt dat ze een helm draagt omdat haar moeder bij een botsing op de fiets eens een arm gebroken heeft. Dat was in Rennes, een van de steden die eerder fietsen voor gemeenschappelijk gebruik had. „Fietsers zijn kwetsbaar”, zegt Stéphanie, en „soms” schrikt ze wel van auto’s in Parijs. Haar vrienden dragen geen helm. Trouwens, de meeste fietsers niet.

    • René Moerland