Ondersteboven de Maelström in

De wereld wordt kleiner, maar er zijn altijd plekken waar bijna niemand komt.

Laatste deel in de serie imaginaire bestemmingen: naar het binnenste der aarde.

Illustratie Peter van Dongen Dongen, Peter van

Aan Giacomo Casanova dank ik deze reisbestemming. Maar hoe er te komen? Sommigen hebben het geprobeerd via de kraters van de Vesuvius en de Etna – dat werd geen succes. Wij besluiten ons aan het boek te houden en beginnen bij de Lofoten, een eilandengroep voor de noordkust van Noorwegen. Daar kolkt en bruist de Maelström.

De omstandigheden blijken niet meer zo bar als in de 16de eeuw, toen de doorgang bij toeval werd ontdekt door twee reizigers, een broer en een zus, wier lotgevallen Casanova beschrijft in zijn enige roman Icosameron (1788). Er is nu zelfs een soort dienstregeling, al blijft het natuurlijk een zeer exclusieve onderneming. Dat mag ook wel voor zo’n prijs.

Voor het vertrek krijgen we de loden kist te zien waarmee onze voorgangers de tocht hebben gemaakt. Eigenlijk was de kist van een zeeman, die hem altijd op zijn reizen meezeulde, omdat hij de gedachte niet verdroeg dat zijn lijk door de haaien zou worden opgepeuzeld. Tijdens de schipbreuk waren broer en zus per ongeluk in de kist gevallen, die daarop was dichtgeklapt. Zo hadden zij de bodem van de Maelström bereikt.

Ook toont men ons de inhoud van de kist. Ik tel zeker tien flessen water en eau-de-vie, een bijbel, vier pistolen en een reusachtige magneet. Deze uitrusting is inmiddels uit de tijd. Noren lachen niet veel, maar nu komt even een grijns los. Wij zullen worden voorzien van plastic setjes met daarin alles wat we nodig hebben.

De volgende dag gaan we aan boord. Onder een dekzeil staat de opvolger van de loden kist. Het weer is matig. Gelukkig komen we niet voor het uitzicht, want door de mist zien we de rotsen voorbijtrekken als een reeks vage kromme ruggen. In het vooronder wacht een sobere maaltijd.

Een paar uur later zijn we er. Dit is dus de Maelström. Het schuim spat over de reling, we kunnen nauwelijks op onze benen blijven staan, maar de matrozen gaan onverstoorbaar aan de slag. Geen reden kennelijk om ons zorgen te maken. Het dekzeil wordt van de capsule verwijderd. Het lijkt wel een ruimtevaartuig. Wij trekken onze isolerende overalls aan en voordat we in de capsule plaatsnemen, krijgen we allemaal een hand van de kapitein. De deur wordt zorgvuldig dicht geschroefd.

We horen de plons, maar gek genoeg voelen we er niets van, alsof we gewichtloos zijn geworden. Door het kleine raampje zien we nog even het grijs van de zee, daarna wordt alles zwart. Dat we pijlsnel naar beneden gaan, merken we alleen aan de verhoogde druk in de oren. Een kwartier later lijkt er een vertraging in te treden. Zijn we de zeebodem al gepasseerd? Ook lijkt de temperatuur in de capsule te stijgen. Tijd om het flesje water (alcohol mag niet van de Noorse overheid) aan te spreken. Het kost geen enkele moeite om het plastic setje open te ritsen.

En dan verandert alles, we zijn in een stroomversnelling terechtgekomen. Achter het raampje is weer iets te zien: een rode gloed, die in intensiteit toeneemt. We zweten ons gek in onze overalls. Is dit ook nog gewoon of gaat er nu iets vreselijk mis? De hitte is bijna niet meer te verdragen. Hoe moet dit zijn geweest zonder overalls? Is een loden kist alléén voldoende isolatie? Opeens krijg ik de neiging om op mijn kop te gaan staan. Door een onweerstaanbare kracht worden mijn voeten omhoog getrokken. Ah, de magneet! Misschien is er toch niets aan de hand. Want dat dit zou gebeuren, daar zijn we op voorbereid. Nu is het zaak er langzaam aan toe te geven. Dat het zonder problemen gaat, kan maar één dingen betekenen: we zijn gearriveerd.

Wat duurt het lang voordat de deur van de capsule wordt open geschroefd. Als we naar buiten stappen, verdwijnt prompt de behoefte om op mijn kop te gaan staan. Welbeschouwd sta ik op mijn kop. Door de zeebodem gezakt, bevinden we ons in het binnenste van de aarde. Ontroerd zien we de reusachtige holte die nauwelijks kleiner kan zijn dan de wereld aan de buitenkant. Dat het oppervlak hier concaaf is, merk je evenmin als je daar merkt dat het convex is. In het midden schijnt een zon die alles in een permanent licht doet baden. We weten dat er geen verschil is tussen dag en nacht en dat de heerlijke, lente-achtige temperatuur niet meer zal veranderen.

Ik hoef niet lang na te denken om de kleine wezentjes te herkennen die ons met zang en dans begroeten: dit moeten de Megamicres zijn. Inderdaad, kleurige androgynen met piemeltjes en borstjes, maar zonder navel, want ze komen uit het ei. Hun gastvrijheid is na Noorwegen een verademing. Daar biedt de eerste ons al een tepel aan, daar vloeit zijn/haar rode melk de eerste mond binnen.

Nee, Casanova had geen ongelijk toen hij deze binnenaardse wereld aanwees als het oorspronkelijke paradijs. We gaan hier nooit meer weg.

Lees Icosameron via: nrcnext.nl/links

    • Arnold Heumakers