Nog nooit vertoond

Hans Silvester maakt foto’s van de prachtig beschilderde en uitgedoste herdersvolken van Ethiopië. Maar zijn deze versieringen wel zo spontaan en authentiek als de fotograaf doet geloven? Of dossen de stammen zich uit voor de toeristen? „Als de jeeps eraan komen, beginnen ze met schilderen.”

Foto’s uit ‘Natural Fashion’ van Hans Silvester Silvester, Hans

Voor de spiegel hoef je al net zomin een profeet te zijn als op straat. Je weet wat je zult zien. Buiten zijn huizen en auto’s, binnen haren en een mond, een neus, een kin. Verrassingen zijn uitgesloten. Ogen zijn ogen zoals bomen bomen zijn; elke keer wel een beetje anders, maar toch vooral hetzelfde. De Franse schrijver J.K. Huysmans klaagde in de negentiende eeuw wel eens over het voorspelbare van landschappen, met die eeuwige heuvels en dat eeuwige gras. Wat voor landschappen geldt, geldt nog meer voor gezichten. Een oog is een oog, een mond is een mond. Dat is zo en dat blijft zo. Met make-up wordt het hooguit duidelijker gemaakt. De lippen roder, de wimpers langer, de ogen sprekender. Somber deed ik mijn mascara op.

Maar toen zag ik het boek Natural Fashionvan Hans Silvester. Aan het lezen van de ondertitel, Tribal decoration from Africa, kwam ik niet eens meer toe. Wat een bevrijding. Op het omslag staat een meisje dat weliswaar ogen, een mond en een neus heeft, maar ze zijn ondergeschikt gemaakt aan iets anders. Haar gezicht is zo beschilderd dat ze er niet meer toe doen. Ze gaan op in een nieuw ontwerp.

Ik sla het boek snel open, blader en blader en blader. In Natural Fashion trekt niemand zich iets aan van zijn ogen, mond, neus. Die lichaamsdelen gaan op in een grafisch geheel van strepen, vlekken en stippen. Over sommige gezichten hebben vogelpootjes getrippeld. Een jongensgezicht is helemaal geel. Een meisje verdeelde haar gezicht in twee helften, schilderde net niet de ene helft rood en iets meer dan de andere helft geel. De neus en de mond bleven onbeschilderd. De ontwerpen betoveren door hun geraffineerde gebrek aan symmetrie, dat ervoor zorgt dat je een beeld nooit in één oogopslag kunt vatten.

Ook de rest van het lichaam doet soms mee. Een vrouw bestippelde niet alleen haar gezicht, maar ook haar linkerborst, een groepje mannen lijkt bekend met de uitbundige zigzagpatronen van de Italiaanse modeontwerper Missoni. Soms mag wat aan de binnenkant zit aan de buitenkant meedoen: de strepen op de borst van een jongen worden onvermijdelijk ribben.

Maar meestal lijkt het nergens op. En dat is juist het mooie, het onverwachte, het heerlijke van deze schilderingen: ze lijken niet op iets wat je al kent. Niet op make-up, niet op tatoeages of andere dingen die je nog wel eens op een menselijk lichaam tegenkomt, maar ook niet op schilderingen waarvan niet een gezicht, maar een doek de drager is. Geen Picasso, geen Matisse. Maar misschien is het toch beter om bijna niet te zeggen. Want wat je waardeert, wordt onherroepelijk beïnvloed door wat je weet. Zou bekendheid met westerse kunst er niet mede voor zorgen dat iemand uit bijvoorbeeld Amsterdam deze schilderingen mooi vindt, zoals de schilderijen van Van Gogh ervoor hebben gezorgd dat de Provence pittoresk is geworden of de gedichten van Wordsworth het Lake District de moeite waard maakten? Zo helpen de schilderijen van Paul Klee misschien de schilderingen van Silvester.

De beschilderde mensen wonen rondom de Omo, een rivier in het zuidwesten van Ethiopië, vlakbij Soedan. Hun stammen heten Mursi en Surma of Suri. Het zijn herdersvolken van wie vaak gezegd wordt dat ze in een vergeten uithoek van de aarde wonen, of dat ze zelf haast vergeten zijn, de laatste nobele wilden, de laatste mensen die misschien nog net zo leven als Lucy, het in deze streek gevonden skelet dat door paleontologen naar een dame uit een liedje van de Beatles werd genoemd, maar drie miljoen jaar oud is.

Op de foto’s van Hans Silvester, de fotograaf van Natural Fashion, is van de moderne wereld niets te merken. Wie niet beter weet, zou kunnen denken dat de foto’s in 1950 gemaakt zijn, of in 1950 voor Christus. Als de fotografie toen al had bestaan, zou zij dit ook toen vastgelegd kunnen hebben. En misschien niet alleen in Ethiopië, maar ook in Nederland of in Frankrijk. Alle moderne mensen komen oorspronkelijk uit Ethiopië, stammen af van een paar vrouwen die hier misschien wel langs de rivier hebben gelopen en ook een bloem achter hun oor hebben gestoken.

Maar zo onbekend met

de buitenwereld als Silvester het doet voorkomen zijn de stammen toch niet. De Suri waren te zien in een aflevering van de Engelse televisieserie Tribe, de Mursi stonden te kijk in de Nederlandse serie Groeten uit de rimboe, waarin westerse gezinnen een paar weken bij een ‘primitieve’ stam verblijven. En er komen steeds meer toeristen naar het gebied. Touroperators bieden reizen aan waarin niet alleen wilde dieren, maar ook wilde mensen te zien zijn. In een van de documentaires die Leslie Woodhead en David Turton in de Omovallei maakten, is te zien hoe de Mursi en de toeristen elkaar ontmoeten. De toeristen lopen rond, de Mursi stellen zich op in een rij. Contact wordt er niet gelegd. Er wordt gefotografeerd. In ruil voor een paar birr wordt een enkeling door talloze toestellen vastgelegd.

Maar hoe lang zullen ze dat nog doen? De kalashnikov is al bij de Omo. T-shirts zullen wel snel volgen, net als al die andere verworvenheden van de westerse wereld. De Nuba zien er al lang niet meer zo uit als toen Leni Riefenstahl hen fotografeerde. Velen schamen zich nu voor naaktheid. Ook de Suri zullen in het gareel gaan lopen dat op een ander continent is bedacht. Dan zit rood alleen nog op de lippen en niet meer op het voorhoofd, is oker verbannen naar het ooglid en dragen mannen geen Missoni meer. Of zou het contact met toeristen en andere westerlingen er juist voor zorgen dat de mensen er hier langer als nobele wilden blijven uitzien? Hun klederdracht is hun kapitaal.

Ik blader weer door het boek.

Nog bijzonderder dan de schilderingen is de tooi van de kinderen. Bloemen, planten en stenen worden hoeden, petten en kransen. Een meisje heeft twee trosjes rode bloemen achter haar oren gestoken. Een jongen houdt een tak van een bonenstruik in balans op zijn hoofd. Ook dit inventieve gebruik van natuurlijk materiaal is nergens mee te vergelijken. In Nederland hangen kinderen kersen om hun oren als er kersen gegeten worden, en er wordt vast nog weleens een kransje van madeliefjes gevlochten, maar meer ook niet. Vergelijkingen met hoeden van weleer gaan ook niet echt op, want daarin werden weliswaar veel fruit, bloemen en veren verwerkt, maar zulke hoofddeksels waren stijve bouwsels vergeleken met de vindingrijke bedenksels van de Mursi en de Suri. Sommigen maken van één rietstengel een elegante hoed, andere torsen halve struiken met zich mee. Een man heeft in zijn korte baard een soort grijze peperkorrels geplakt. Een jongen heeft van modder een zeer tijdelijke pruik gefabriceerd.

Of zou de westerse kostuumgeschiedenis toch iets te maken hebben met de waardering voor de versieringen van deze Ethiopiërs? Victor & Rolf, Vivienne Westwood, hebben zulke ontwerpers onze blik misschien ontvankelijk gemaakt voor de creaties van Suri en Mursi?

Misschien is het op de eerste plaats de verdienste van de fotograaf dat de jongens en meisjes er nooit belachelijk uitzien. Hij zet hen neer alsof het modellen zijn, hij kadreert en belicht zo dat de oevers van de rivier een fotostudio lijken.

Ik blijf door het boek bladeren. De foto’s blijven opzienbarend, ongelooflijk, nog nooit vertoond. Dat je met wat gras en blaadjes zulke elegante dingen kunt maken. Bloemen zijn mooier dan juwelen. Het is een overdaad die niet schaadt, een meisje dat naturel al prachtig zou zijn geweest, is met haar tooi van verf en bloemen nog mooier.

Wat blijft opvallen, is dat ik zoiets nog nooit gezien heb. Op oudere foto’s uit de Omovallei staan ook wel mensen met versieringen, maar zo uitbundig als in het boek van Silvester zijn ze nooit. De patronen zijn minder speels en de kleuren minder gevarieerd. Bloemen en planten worden niet gedragen. De lipplaten in de onderlip van de Mursivrouwen, die op oudere foto’s juist prominent aanwezig zijn, spelen op de foto’s van Silvester een ondergeschikte rol.

Ik word nieuwsgierig en google Hans Silvester. Zou de fotograaf doorgedrongen zijn tot een dorp waar nooit eerder gefotografeerd is? Of toonden de bewoners alleen aan hem hun allermooiste versieringen?

Silvester blijkt vooral bekend van foto’s van katten en paarden. Cats in the Sun en Horses of the Camargue zijn titels van andere boeken die de Duitse, in Frankrijk wonende fotograaf (1938) bij amazon en bol.com oplevert. Silvester blijkt ook bij andere onderwerpen een uitmuntend fotograaf. Hij zou riolen nog mooi op de foto kunnen zetten, al gaat hij meestal voor fotogeniekere onderwerpen. Hij fotografeerde landschappen over de hele wereld en publiceerde al eerder een boek over de volkeren rond de Omo.

De tekst in het boek is nogal summier. Silvester is een romanticus, die vooral opschrijft dat deze mensen zo spontaan en kinderlijk zijn. „Ze leven zo dicht bij de natuur dat ze zich natuurlijk gedragen”, staat er in de inleiding. Over het hoe en wat van de foto’s komen we weinig te weten. Daarom bel ik David Turton, een Engelse antropoloog die al jaren met de Mursi werkt. „Ik heb nog nooit zoiets gezien”, zegt hij vanuit Oxford. „Ik kan het niet bewijzen, maar ik vermoed dat de foto’s geënsceneerd zijn.” De vraag is volgens Turton of de Mursi zich uit eigener beweging zo hebben versierd of dat ze dat op verzoek van de fotograaf hebben gedaan. „De Mursi versieren zichzelf tegenwoordig uitbundiger dan ze vroeger deden. Ze hebben gemerkt dat de kans dat ze gefotografeerd worden en een paar birr verdienen dan groter is”, zegt hij. Maar Turton vermoedt dat Silvester nog verder is gegaan. „Hij heeft de mensen als fotomodellen gebruikt.” Vooral de versieringen van bloemen en planten komen op Turton niet authentiek over. „Er logeren hier twee Mursi en ik heb ze een paar foto’s uit Natural Fashion laten zien. Ze moesten lachen.”

Ook Turtons Belgische collega Gustaaf Verswijver van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren heeft twijfels bij deze foto’s van Silvester. Verswijver organiseert een tentoonstelling over de volkeren van de Omovallei, die in november begint. Daar zullen ook foto’s van Silvester te zien zijn, maar niet uit Natural Fashion. „Het blijft de vraag of de mensen zich zelf zo hebben uitgedost. Maar die vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. Ter voorbereiding van de tentoonstelling was ik zelf een paar dagen bij de Suri. In een dorpje wilde ik een vrouw fotograferen die een lipplaat aan het maken was. Zodra ze mijn fototoestel zagen, begonnen de kinderen in de buurt aan takken te trekken en ze op hun hoofd te leggen. Binnen drie minuten zagen ze er zo uit als op de foto’s van Silvester. Normaal lopen de mensen er echt niet zo bij.”

Volgens Verswijver zou er een mooie

studie te maken zijn van de evolutie van de lichaamsversieringen in de Omovallei onder invloed van het toerisme. „Ik denk dat er sprake is van een sneeuwbaleffect. Het is een intrigerend fenomeen.” Ook de betekenis van de versieringen is volgens Verswijver veranderd. „Jonge mensen zeggen: we doen het voor de foto. Ouderen hebben het over riten. De schilderingen zeiden vroeger iets over de levensfase waarin iemand was beland. Het waren visuele boodschappen. Nu betekenen ze niets meer.”

Traditioneel waren het de Suri die de meest bewerkelijke lichaamsversieringen hadden, zegt Verswijver, maar het gebruik is door andere stammen in de buurt overgenomen. „De mensen zijn niet dom, hè. Als de jeeps eraan komen, beginnen ze met schilderen. En willen ze ook wel een bloemetje in hun oren hangen.” Bloemen en planten als decoratie is Verswijver niet eerder tegengekomen. Alleen in een ouder boek over de Riftvallei van de fotograaf Don McCullin uit 2003 staat een foto van een jongen met een krans van gedroogd gras op zijn hoofd. „Misschien is deze evolutie daar begonnen.”

Wat zegt Hans Silvester er zelf van?

In het boek heeft hij het wel over de toeristen voor wie de Mursi zich opmaken, maar hij beweert dat wat hij fotografeert spontaan is. Maar zou dat jongetje met die bonenstruik die echt op zijn eigen hoofd hebben gelegd? Die valt er toch meteen weer af als de foto is genomen? „Het is geen ritueel”, zegt Silvester als ik hem eindelijk te pakken heb gekregen. „Ze maken plezier. De kinderen zwemmen in de rivier en beschilderen elkaar. En dan springen ze het water weer in.” Silvester vertelt dat hij sinds 2003 elk jaar een paar maanden in de Omovallei verblijft. De foto’s voor Natural Fashion kunnen maar een paar weken per jaar gemaakt worden, vlak voor het regenseizoen begint. Dan staat veel grasland in brand en komen de Suri, een herdersvolk, naar de rivier. Daar zet hij zijn tent op, een paar honderd meter van het dorp, en fotografeert, meestal met een telelens. Hij wil de vraag of zijn foto’s documentair zijn niet met ja of nee beantwoorden. Het interesseert hem niet zo. „Ze doen voor mij misschien wel iets meer hun best.”

Silvester geeft wel toe dat hij, net als de toeristen, de Suri voor het poseren betaald. Hij beschouwt hen als kunstenaars. „Vraag je eigen kinderen maar eens om zulke dingen te maken als de Suri. Dat kunnen ze niet.” Volgens Silvester komt dat omdat de Suri nog nauwelijks met de moderne tijd in aanraking zijn geweest. „Zij zijn nog puur.”

Maar het werk van Silvester doet opeens sterk denken aan de foto’s van Anne Geddes, waarop baby’s als waterlelies verkleed zijn of een slakkenhuis op hun rug dragen. Misschien is niet westerse kunst, maar westerse kitsch de inspiratiebron voor de foto’s. Nee, zegt Silvester. „Franse schilders aan wie ik de foto’s heb laten zien noemen de Suri hun collega’s”, zegt hij. „Je moet de schilderingen in de context van de abstracte kunst zien. Volgend jaar zal een aantal van mijn foto’s tentoongesteld worden in L’espace de l’art concret, een museum voor abstracte kunst in de Provence, samen met schilderijen van kunstenaars als Klee en Miro. Ze doen me ook denken aan het werk van Gauguin en Emil Nolde. Ik kijk ernaar als een schilder, niet als een etnoloog.” In de catalogus van de tentoonstelling van de foto’s die nu te zien zijn in Toulon, lijken de schilderingen al weer meer op schilderijen. Het zijn vaak close-ups van een stuk beschilderde huid, een Klee-buik, een Pollock-borst of een Twombly-rug.

Hoe het kan dat de bodypaintings van de Suri hem zo doen denken aan de schilderijen van westerse meesters, weet hij niet. „Ik kan het niet verklaren. Deze mensen hebben nooit een schilderij of een boek gezien en toch maken ze zulke dingen. Ik heb ze nooit reproducties laten zien. Dat zou bespottelijk zijn.” Silvester ziet in de schilderingen wel een begin. „Hier zie je het fundament van de moderne schilderkunst.”

Maar Jan Abbink, hoogleraar antropologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en het African Studies Centre in Leiden, ziet de uitbundige lichaamsversieringen van de Suri als het resultaat van contact met toeristen. Hij noemt het een ‘invented tradition’. „Op oude foto’s uit het begin van de vorige eeuw zie je wel beschilderde lichamen bij de Suri, maar niet zo barok als tegenwoordig. Bloemen en planten zie je al helemaal niet als versiering. En vrouwen waren bijna nooit beschilderd. Die hadden lip- en oorplaten.”

Dit is geen spontaan cultuurverschijnsel, zegt Abbink, die veel veldwerk heeft gedaan bij de Suri. „Het is een reactie op de aanwezigheid van westerse toeristen. Die krijgen van de Suri tegen betaling wat ze willen: een nieuw icoon van de nobele wilde.” De foto’s van Silvester doen er volgens Abbink nog een schepje bovenop: de kapitaalkrachtige fotograaf krijgt nog bewerkelijker arrangementen te zien.

Op pagina 93 staat een kind

wiens gezicht wit bestreept en bestippeld is. Om zijn hoofd hangt een bos gras. In zijn mond is een rode bloem gestoken. Zou het kunnen dat Silvester en zijn minder getalenteerde voorgangers, toeristen en andere fotografen, de nobele wilde allemaal hebben herschapen in het licht van westerse kunst en kitsch? Het is een onrustbarende gedachte. De Suri hebben hun lichaamskunst aan de westerse kunst aangepast, zonder dat ze de bron kenden. Het doet een beetje denken aan dat verhaal over de Japanse krabbensoort die op zijn rug soms een tekening van een gezicht leek te dragen. Vissers gooiden krabben met een zo’n gezicht, van een samoerai om precies te zijn, terug in de zee. Krabben met een gezicht hadden dus meer kans om zich voort te planten, zodat er nu een Samoerai krabbensoort bestaat.

Dit staaltje van onbedoelde artificiële selectie is waarschijnlijk een legende. Bij de Suri lijkt het wel echt te gebeuren. Zonder dat ze het wist, werd het meisje op pagina 120 geïnspireerd door Modigliani, het jongetje op pagina 91 door Anne Geddes, het meisje op bladzijde 127 zelfs door een eeuwenoud Fayumportret uit Egypte. En zonder dat ze het wisten, kozen de fotografen steeds de mensen uit die hen ergens aan deden denken. Net als de Japanse vissers zijn ook zij zich waarschijnlijk niet bewust van hun invloed. De cirkel lijkt rond: de abstracte schilders die zich een eeuw geleden lieten inspireren door primitieve kunst uit Afrika, inspireren nu op hun beurt de Afrikanen.

Ik blader weer door het boek. Wat nergens op leek, lijkt dus toch ergens op. Maar het blijft schitterend. Authentiek zijn ze misschien niet, of niet allemaal. Een bedachte traditie in plaats van de dageraad van de schilderkunst. Niet nog ouder dan de rotstekeningen in Lascaux, maar nieuwer dan graffiti. En net zo oud.

Hans Silvester: Natural Fashion. Uitg. Thames & Hudson, prijs 31,99. Foto’s uit het boek zijn tot 7 sept. te zien bij galerie La Maison près bastille in Parijs en l’Hotel des Arts in Toulon en van 11 sept. tot 4 okt. bij de Marlborough Gallery in New York. Andere foto's van Silvester zijn vanaf 3 nov. te zien op Volkeren van de Omovallei in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, België.

    • Bianca Stigter