Keith Richards interviewen met een liter tequila nabij

De beste muziekverhalen van 1945 tot nu. Samengesteld en ingeleid door Leon Verdonschot, Carrera, 1.008 blz. € 34,95

De beste muziekverhalen van 1945 tot nu. Samengesteld en ingeleid door Leon Verdonschot, Carrera, 1.008 blz. € 34,95

‘De moeilijkheid als je over pop schrijft, is dat je eigenlijk heel hard zou moeten roepen: als je ze goed vindt, is het een goede plaat, en als je er niet van houdt, is het een slechte!!’

Dat over popmuziek doorgaans langere stukken worden geschreven dan Humo-hoofdredacteur Guy Mortier wenst, komt door ‘een stilzwijgende afspraak’ tussen de beroepsgroep en de lezers. Die luidt: ‘Als jullie doen alsof ik er iets van afweet, verlos ik jullie van dat onbehaaglijke beslissingsmoment over ja dan neen kwaliteit van een plaat, een artiest, een concert; en in ruil word ik een Autoriteit en graaf, als ik zover ben dat ik dat zelf geloof, speciaal voor jullie wel even naar het Merg van de muziek en verpak dat in handig van-buiten-leerbare kreten die jullie op weg naar de jeugdclub of de cocktailparty nog nèt kunnen memoreren teneinde daarmee allen te verbazen en weer even helemaal snor te zitten.’

Uit de ruim 1.000 pagina’s tellende bundel De beste muziekverhalen van 1945 blijkt dat die afspraak prima werkt.

Althans, de laatste veertig jaar dan. Verhalen uit de kwarteeuw daarvóór zijn voor spek en bonen opgenomen, geeft popjournalist en samensteller Leon Verdonschot zelf toe. ‘Die zijn niet zo goed’, schrijft hij in het voorwoord. ‘Ze staan achterin.’ Het zal ermee te maken hebben dat de uitgever eerder een sportbloemlezing maakte met dezelfde titel. En eigenlijk is het nog best vermakelijk om te lezen hoe het oerblad Tuney Tunes in 1957 de acteerprestaties van Elvis Presley recenseerde: ‘Hoewel wij de film nog niet gezien hebben, geloven wij toch te mogen zeggen: gaat Love Me Tender zien. Wat wij er over in het buitenland van hoorden vertellen, is de film het zien zeker waard.’

Vanaf 1970 komt de popjournalistiek op stoom, bijvoorbeeld als Jip Golsteijn voor OOR Keith Richards spreekt. De eerste zin vat meteen de voor- en nadelen van de tijdsgeest samen: ‘De beste journalist en de beste musicus van het westelijk halfrond treffen elkaar bij een liter tequila.’ Inderdaad, popsterren waren toegankelijker dan tegenwoordig. Maar het interview gaat voor ten minste de helft over de interviewer.

Peter van Bruggen – met tien bijdragen de grote winnaar – verblijft dagenlang rondom Lou Reed, maar laat hem alinea’s lang uitweiden over de fijne persoonlijkheid van.....Peter van Bruggen. Daarna gaan ze samen ijsjes kopen of mastermind spelen.

Dan kan de nodige afstand geen kwaad. Van Morrison vliegt verslaggever Bert Jansen aan, deelt klappen uit en brult: ‘That’s something to remember me by!’ Hij is een van de velen (Sex Pistols, Tricky) die onuitstaanbaar blijken zodra ze langer dan een paar uur worden gevolgd. Alleen is het de vraag waarom we na zo’n ontmaskering ook nog het zeurinterview met dezelfde artiest moeten lezen. En natuurlijk was Herman Brood een legende; maar verdient hij werkelijk vijf verhalen?

Hoe goed de meeste verhalen (vooral vanaf de jaren negentig) ook zijn, natuurlijk valt er over de samenstelling te twisten. Zo komen kranten er vergeleken met de muziekbladen nogal bekaaid vanaf. Het register verraadt een voorliefde voor eerder gebundeld krantenwerk, waardoor een recent standaardinterview met Tiësto wél is opgenomen en een eerder, journalistiek dwingender vijf-wereldsteden-in-vier-dagen-reportage uit de Volkskrant niet. Hetzelfde geldt voor de nogal obligate hotelkamerinterviews met de Pearl Jam-gitarist en bassist (en dus niet zanger Eddie Vedder), Justin Timberlake en Robbie Williams. Dan is de hartverscheurende openhartigheid van Rob de Nijs tegenover Frénk van der Linden een verademing.

Dosering mag dan niet Verdonschots sterkste kant zijn, humor herkennen wél. Patrick de Witte blijft in zijn nimmer geëvenaarde Humo-recensies Prince na diens zoveelste naamsverandering consequent aanspreken met ‘Uwe Eén Schop Hoogheid’ of ‘Zonder Zich Te Bukken Onder Tafel Lopende’. Hetzelfde blad bespreekt een Status Quo-plaat in anderhalve pagina songtekst met enkel de woorden: ‘Fantastisch Tof’.

Ene Steven Smegma van het metalblad Aardschok noemt – al dan niet onder pseudoniem – het album Satan is a cunt van de Poolse grindcoreband Neuropahtia: ‘godverdommenondeju een pracht van een juweeltje’.

Dat zal Guy Mortier als muziek in de oren klinken. Maar het had korter gekund. Met 300 pagina’s minder had de Nederlandse popjournalistiek er mooier opgestaan.