Investeren in corruptieonderzoek loont

Onderzoeksbureaus naar corruptie hebben nut. Dat blijkt uit een inventarisatie van zeven fraudebureaus in de wereld. In Nederland zijn foute politici moeilijk aan te pakken.

Zo zwaar opgetuigd als het Department of Investigation in New York zal het Amsterdamse Bureau Integriteit nooit worden. Meer dan tienduizend klachten over smeergeld, corruptie en omkoping in het lokaal bestuur komen in New York jaarlijks binnen. Zo’n 400 medewerkers, van wie een groot aantal met opsporingsbevoegdheid, zijn belast met de afhandeling ervan. Ze beschikken daarvoor over een jaarlijks budget van 22 miljoen dollar (15 miljoen euro).

Het Amsterdamse bureau heeft 13 medewerkers en een budget van anderhalf miljoen euro. De schaal is natuurlijk een verklaring. New York City heeft 8,2 miljoen inwoners en 320.000 medewerkers. Amsterdam krap 800.000 en zo’n 12.000 ambtenaren.

Investeren in anti-corruptieonderzoek loont, zo blijkt uit het vandaag gepresenteerde onderzoeksproject ‘Local Integrity Systems’, een inventarisatie van lokaal anti-corruptiebeleid in zeven wereldsteden: Hongkong, Sydney, Londen, Hamburg, Antwerpen, New York en Amsterdam.

Onder regie van het Department of Investigation (DOI) in New York werden in 2006 422 mensen opgepakt op verdenking van ambtelijke corruptie, fraude of omkoping, onder wie hoge politici en ambtenaren. Het Amsterdamse bureau behandelt jaarlijks gemiddeld zo’n 100 corruptie- en fraudedossiers, met vaak niet meer dan een handvol concrete verdachten in strafrechtelijke zin.

DOI-commissaris Rose Gill Hearn schrijft in haar bijdrage aan het onderzoeksproject het grote aantal meldingen goeddeels toe aan de wettelijke verplichting voor ambtenaren om aangifte te doen van signalen van corruptie of fraude. Dankzij klokkenluidersregelingen krijgen zij daar geen last mee. Nederlandse ambtenaren moeten ook aangifte doen, maar dat gebeurt zelden. Ook is hier geen uniforme rechtsbescherming voor wie dat wel doet.

Veel anti-corruptiebureaus werden opgericht na geruchtmakende schandalen. In New York was dat in 1870, toen maffiabaas William ‘Boss’ Tweed nagenoeg het hele stadsbestuur in zijn zak had bij bouwcontracten en andere overheidsopdrachten. Antwerpen richtte een bureau op na schandalen onder stadsbestuurders in 2003. Hamburg had in de jaren 90 affaires bij de politie. Amsterdam kende eind jaren 90 grootschalige fraude bij stadsvervoerbedrijf GVB, de dienst Parkeerbeheer en enkele stadsdelen. In 2001 werd het Bureau Integriteit opgericht.

Maar de Europese steden gaan niet zover in hun aanpak als New York of Hongkong, waar vooral het strafrecht centraal staat. In Hamburg is het bureau onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar zijn bij het Openbaar Ministerie zeven aanklagers uitsluitend belast met corruptie. Maar het bureau richt zich, net als het Amsterdamse, vooral op preventie en signalering van fraudegevoelige plekken bij de overheid. Antwerpen is niet veel verder dan de oprichting van een integriteitscommissie die aanbevelingen aan het bestuur doet.

Gebrekkige anti-corruptiewetgeving speelt zowel Amsterdam als Hamburg parten, zo blijkt uit de inventarisatie. Zo is het in Nederland en Duitsland niet mogelijk om bij aanbestedingen zwarte lijsten te hanteren van corrupte bedrijven. In Nederlands was daar na het parlementaire enquêteonderzoek naar bouwfraude even sprake van, maar het idee stierf een stille dood.

In beide steden kunnen de integriteitsbureaus ook nauwelijks optreden tegen corrupte politici. Duitse lobbyisten mogen bijvoorbeeld geld geven aan politieke partijen als de besluitvorming over hun onderwerp achter de rug is. In Nederland ontbreekt het aan wetgeving om lobbyisten daarvoor aan te pakken.

In Nederland heeft Amsterdam als enige een anti-corruptiebureau, schrijven de wetenschappers Leo Huberts, Fréderique Six en Karin Lasthuizen van de Vrije Universiteit in een evaluatie. Daardoor heeft de stad zicht op wat er mis kan gaan.

Maar dat succes kent grenzen, is de waarschuwing. Waar New York alleen maar meer investeert in het Department of Investigation, moet het Amsterdamse Bureau Integriteit vijf jaar na de oprichting al bezuinigen. De onderzoekers wijzen op de manier waarop New York bedrijven die meedingen naar een overheidsopdracht, dwingt om hun eigen integriteitsonderzoeken te financieren. Op straffe van uitsluiting van overheidsopdrachten. In Amsterdam is het Bureau Integriteit afhankelijk van gemeentelijke diensten en bedrijven om te betalen voor zijn diensten. Dat is een bedreiging, aldus de onderzoekers.

Ook groeit de discrepantie tussen de aanpak van malverserende ambtenaren en politici. Want ook in de politiek zijn de afgelopen jaren misstanden gezien, zoals gesjoemel met subsidies voor fractieactiviteiten. „Ik had net een ambtenaar ontslagen die gesjoemeld had met de gemeentelijke creditcard”, klaagde een leidinggevende tegen de wetenschappers. Uitgerekend in de periode dat een wethouder in opspraak raakte wegens die subsidiemalversaties. „Hoe kan ik intern dat ambtelijk ontslag verdedigen als die wethouder wel kan blijven zitten?”

    • Jos Verlaan