In Nqadu is de grootste werkgever de koning

In het Zuid-Afrikaanse dorp Nqadu willen degenen die er nog wonen niet werken, klaagt de koningin over haar onderdanen. De koning is met zes man personeel topwerkgever.

De koning is niet thuis. Op zakenreis naar Johannesburg heeft de vorst de Mercedes C200 achtergelaten bij zijn lijfwacht. Als op de vlucht voor de stofwolken in zijn spiegels laat Isaac Fakazi de wagen over de zandweg stuiteren naar de Great Place, het bescheiden onderkomen van de Xhosakoning. „Don’t be gentil, it’s a rental”, verontschuldigt bodyguard Rayban met zonnebril op en leren handschoenen aan zijn ruwe omgang met de huurauto. „De koning rijdt normaal in een BMW X5, maar die is naar zijn grootje sinds ik vorige week een hond onder de wielen kreeg.” Het is de tweede keer in een paar maanden tijd dat de gloednieuwe koninklijke wagen met panne staat. Duitse auto’s zijn niet op de ruige wegen door het koninkrijk gebouwd.

Nqadu heet de nederzetting rondom het paleis van de AmaGcaleka-dynastie, een van de zes Xhosakoninkrijken in de provincie Oost-Kaap van Zuid-Afrika. Een district van 1.500 huishoudens groot, gebouwd op heilige grond. Uit deze streek komen twee presidenten. In de heuvels nog geen 80 kilometer ten oosten van hier groeide Nelson Mandela op, en 30 kilometer verderop werd het huidige staatshoofd, Thabo Mbeki, geboren. Maar dat is niet de reden waarom dit dorp en zijn economie zo interessant is.

Nqadu, bij Willowvale, is in de eerste plaats de geboortegrond van uitzonderlijk veel migranten in de krottenwijken rondom Kaapstad, meer dan 1.200 kilometer hier vandaan. In de verpauperde township Imizamo Yethu, op de zandheuvels met uitzicht over het strand en de haven van Houtbaai, komt volgens tellingen van het Kaaps gemeentebestuur meer dan de helft van de bewoners uit deze streek. Houtbaai is een bidonville vol Oost-Kaapse boeren die nu als schoonmakers, tuinmannen, en kindermeisjes werken in de grote villa’s aan de andere kant van de vallei. Bijna nergens in Zuid-Afrika liggen eerste en derde wereld zo dicht op elkaar als daar in Houtbaai. En bijna nergens vind je zo’n typisch voorbeeld van de verstedelijking van het snelst urbaniserende continent in de wereld, als op de weg tussen de Oost-Kaap en Houtbaai. Zoals de boeren rondom Nqadu en Willowvale naar Houtbaai trokken, zo verloopt de trek van het Afrikaanse dorp naar de stad heel vaak. Zo gauw een paar dorpelingen met succes vertrokken is, volgt de rest van hetzelfde dorp, terwijl de bewoners in dorpen kilometers verderop als aan de grond genageld blijven. Migratie is een familietrekje, zo lijkt het. Maar wat dreef dit dorp naar Houtbaai en hoe vergaat het de achterblijvers?

Voor de lijfwacht van Koning Zwelonke Sigcawu was vertrekken nooit een optie. Maar hij heeft dan ook geluk gehad. In 1993 kreeg hij deze erebaan, dankzij een voor Willowvale ongekend talent. „De koning hoorde me piano spelen tijdens een diner. Hij vond het spel zo mooi dat hij me vroeg voor hem te komen werken als bodyguard. Af en toe speel ik nog voor hem.’’ Isaac Fakazi is een ambtenaar, zoals al het personeel van de koning. Sinds het zwarte ANC de macht hier overnam (1994), valt de zorg over de koninklijke families op het platteland onder de verantwoordelijkheid van de staat. Met zes man in dienst is de koning een van de grootste werkgevers in het dorp.

„Dat is niet altijd zo geweest’’, zegt meneer Xhula, de secretaris van de koning. Hij is druk aan het werk achter de enige computer in de Great Place, een felroze gebouw dat meer weg heeft van een gemeentetehuis dan van een paleis. „Voor het einde van de apartheid waren de meeste jonge mannen in het dorp werkzaam in de fabrieken in Butterworth’’, legt de secretaris uit. In het stadje 30 kilometer verderop maakten ze dekens, kleren en schoenen, eetgerij, ovens en bakplaten. De fabrieken van Butterworth hadden duizenden werknemers in dienst. Ze werden veelal gerund door Chinezen en blanken, die dankzij de apartheidswetgeving nergens zo goedkoop hun producten konden produceren als hier in de Transkei. Een thuisland heette deze streek in de vocabulaire van de blanke apartheidsregering. De Transkei was in naam een autonome staat voor zwarten, maar in praktijk een reservaat van goedkope arbeid. De komst van democratie maakte aan die concurrentievervalsing resoluut een einde. „De werkers begonnen om fatsoenlijke salarissen te zeuren. Ineens konden vakbonden straffeloos stakingen organiseren’’, vertelt secretaris Xhula. „Met de komst van democratie, vertrokken de fabrieken. Snel daarna kwamen de alcohol, de verkrachtingen, de misdaad en de moord. De vrijheid kwam tegen een hoge prijs.’’

Er is nog wel een economie over in het dorp. De slager bleef. De lasser, de autowasser en de haarsalon zijn nog open, een groothandel voor voedsel en een steenfabriek. Maar ook, op minder dan 50 meter van elkaar, drie slijterijen. De jeugd klontert het liefst samen bij drankhandel Commando Brandy aan de hoofdweg van Willowvale. Nicolas, Kululekil, Goodwin, zuipen omsteeks het middaguur hun ogen rood. Geen van de jongens heeft een vaste baan. Af en toe laadt een aannemer ze achter in zijn pick-up voor een paar dagen werk op de bouw, als tegelleger, loodgieter, stenensjouwer. Nicolas heeft geprobeerd dit drankhol te ontvluchten. Twee jaar lang probeerde hij voet aan de grond te krijgen in de krottenwijk van Houtbaai. Toen gaf hij op. „Zonder baan is het te duur om in de Kaap te blijven. Nu hoop ik dat mijn broers en mijn neven in Houtbaai af en toe geld of beltegoed sturen.’’ Het beltegoed zij geprezen in het Zuid-Afrikaanse dorp. Er is hier vrijwel geen huishouden meer te vinden zonder mobiele telefoon. Een sms van een familielid in de stad is genoeg om het platteland aan de praat te houden. Ook de banken zijn blij. De mobiele telefoon overbrugt de afstand tot eens onbereikbare klanten in de dorpen. Nergens worden op dit moment zoveel nieuwe bankrekeningen geopend als op het Afrikaanse platteland.

Dat is mooi voor de banken, vindt koningin NomagGcaleka, moeder van de huidige koning en een van de vijf vrouwen van zijn vader Xolilizwe, de in 2005 overleden vorst. „Maar het maakt de dorpelingen lui. Je krijgt hier in Nqadu werkelijk niets van de grond. Ze willen niet. Ze wachten liever op de envelop uit Kaapstad.’’ Koningin NomagGcaleka eet boterhammen voor de televisie, Oprah Winfrey op de buis. De majesteit heeft pantoffels aan. Op de bank drinkt de laatste nieuwkomer in de dynastie, de zes maanden oude Onele, aan de borsten van haar moeder Nondwe. Die moet lachen om de weinig diplomatiek taal van haar moeder. Maar ze is het met de koningin eens. „We hebben hier met geld van de regering van alles geprobeerd. We hadden een sinaasappelproject, maar niemand wilde de sinaasappels plukken. Toen hadden we een kippenproject, maar niemand die de eieren kwam halen of het hok schoonhield. Vorig jaar kochten we een broodmachine, die ik vorige week heb weggeven omdat niemand geïnteresseerd is in broodbakken.’’ De koningin heeft haar mond leeg nu. „Ze vinden het allemaal te traag en te veel moeite. Dus waarom zou ik nog moeite doen?’’

Het dorp leeft voort, op giften van familie en giften van de staat. Uitkeringen houden Willowvale in leven. „Ouderdom, arbeidsongeschiktheid, je kunt het zo gek niet verzinnen of er is een uitkering voor’’, zegt de koningin. „En hiv/aids natuurlijk. Sommigen laten zich expres besmetten in ruil voor 750 rand (65 euro).”

Dat is te zien aan de lokale middenstand. Aan de hoofdstraat van Willowvale, tussen het juist geopende internetcafé, de slijterijen en het gezondheidscentrum hebben zich liefst dertien verschillende begrafenisondernemers gevestigd. Bij doodgraver Goodnews zijn ze even lunchen, maar bij Tshika Funerals staan ze je graag te woord. „Kisten in alle soorten en maten’’, lacht de dame aan de balie vriendelijk. „Ik heb deksels die in drie delen openklappen, inclusief glasplaatje, maar ook simpel hardboard. U zegt het maar.’’ Dit weekeinde heeft ze weer vijf begrafenissen gepland, net als de concurrent hiernaast. De dood houdt het koninkrijk in leven.

Lees alle afleveringen van deze zomerserie over de economie van het dorp via nrc.nl/economie

    • Bram Vermeulen