In gevecht met het hele bestaan

Tekening Peter van Dongen Maria Stahlie: Boogschutters . Prometheus, 352 blz. € 17,95 Dongen, Peter van

Maria Stahlie: Boogschutters. Prometheus, 352 blz. € 17,95

Op het eerste gezicht is Alex Wigman, een gescheiden man van in de vijftig, iemand om jaloers op te zijn. Anders dan de hoofdpersonen uit Maria Stahlies voorgaande romans (De lijfarts en Sint-Juttemis) is hij niet zoekende naar een levensvervulling, maar heeft hij zijn bestemming gevonden. Als schrijver van drie romans heeft hij zich de vrijheid verworven om in zijn boerderij in het zuiden van de Bourgogne aan zijn magnum opus te werken. Zijn enige probleem lijkt eruit te bestaan dat zijn huishoudster en maîtresse Françoise er vandoor is. Dat is jammer voor de seks, maar verder geen ramp, want hij had geen liefdesrelatie met haar.

Daarom is het vreemd dat de roman Boogschutters voor een belangrijk deel bestaat uit een hysterische brief aan de verdwenen poetsvrouw. ‘Françoise, ik smeek je, kom terug!’, luidt de eerste zin van het boek, waaruit al snel blijkt dat er een steek los zit aan Alex, die – jammer voor de roman – bepaald geen epistolair talent mag worden genoemd.

Zodra Stahlie de briefvorm loslaat om als alwetende verteller informatie over haar protagonist te geven, blijkt dat Alex er hooggestemde ideeën over het schrijverschap op na houdt, die hij tot op heden niet heeft kunnen waarmaken. Hij weet dat hij geen ziener is, geen genie, geen wijsgeer zelfs, maar niettemin blijft hij hoop houden. Van een soefi-meester heeft hij opgestoken dat er twee soorten intellect bestaan, het wereldse en het metafysische. ‘Men kon beide intellecten vergelijken met een boogschutter…de wereldse boogschutter kon zijn boog niet verder spannen dan zijn mond en zijn pijlen maakten geen deuken van betekenis in hun doelwit… de metafysische boogschutter spande zijn boog tot aan zijn oor en vanaf het oor geschoten sloegen zijn pijlen, zijn zinderend-zingende pijlen, wónden in hun doelwit.’

Het is evident dat Maria Stahlie als schrijfster zo’n metafysische boogschutter wil zijn, een ambitie die ze projecteert op haar personages. Bij hen worden keer op keer ‘diepe wonden’ geslagen, die hen wezenlijk veranderen, waarna hun een vorm van genade of woeste levensdrift deelachtig wordt. Eerder dit jaar verscheen van Stahlies hand de bundel Het woeste gevecht, gebaseerd op een artikelenserie in het maandblad M van deze krant, waarin ze haar poëtica uiteenzet aan de hand van uitspraken van haar leermeesters of helden. Veel wijsheden van deze helden, zoals Flannery O’Connor en de Perzische dichter Hafiz, komen – al dan niet met bronvermelding – voortdurend in Boogschutters voorbij.

Alex, die na allerlei perikelen met zijn ex-vrouw en haar familie vanuit Nederland naar de Bourgogne terugkeert, voelt zich al op de snelweg gelouterd, zodat er energie vrijkomt voor opluchting en werklust. In die stemming citeert hij Hafiz: ‘Het is een naïef mens die denkt dat we niet verwikkeld zijn in een woest gevecht’, en hij voegt er aan toe dat zijn, Alex’, strijdperk ‘het literaire strijdperk’ is.

Het woeste gevecht om het ontdekken van een waarheid, de zin van het leven, het schrijven, de schoonheid, de liefde wellicht, is bij Stahlie steeds nadrukkelijker de inzet van haar romans geworden. ‘De drijfveer achter mijn schrijverschap is een uitslaand verlangen om beter en dieper door te dringen in de wildheid, de vreemdheid, de ondoorgrondelijke generositeit van het bestaan’, is één van Stahlies vele uitspraken waarin zij haar rotsvaste geloof in de menselijke wil uitdraagt.

Alex Wigman komt ook tot dergelijke inzichten, die hij kriskras knippend en plakkend tot literatuur wil verheffen. ‘Zijn gedachten waren soldaten … soldaten die over de heuvelrand kwamen’, denkt hij over zichzelf. Deze metafoor is echter afkomstig van de al vaker door Stahlie geciteerde Amerikaanse filmmaker John Cassavetes, die zei: ‘Al mijn films, de goede en de slechte, zijn soldaten... soldaten die over de heuvelrand komen’. Woeste gevechten met de taal leveren die soldateske gedachten bij Alex/Stahlie helaas niet op. De cliché’s in deze roman zijn zo talrijk, dat er opzet in het spel lijkt: onder de wol gaan, een frisse neus halen, pennevruchten, met de deur in huis vallen, laf als een wezel , dubbel en dwars, als blikken konden doden, boekdelen spreken, onbewaakt moment, waarheid als een koe, enz.

Een geloofwaardig gevecht wordt in Boogschutters alleen gevoerd door Alex’ dochter Lisette, een meisje dat op haar twaalfde geruime tijd in een ziekenhuis doorbrengt en daar op eigen kracht eerst de filosofie van Plato en Descartes en vervolgens het existentialisme uitvindt. Eén van Stahlies helden, de Russische filosoof Lev Sjestov, heeft eens geschreven dat er een compromisloze strijd gevoerd moet worden tegen de zogenaamd eeuwig geldende inzichten van de wijsbegeerte, van de rede, over wat er wel en wat er niet mogelijk is in het bestaan. Lisette vóert die strijd niet alleen, ze wint hem ook door naar eigen inzicht haar daden in overeenstemming te brengen met haar bestaan. Haar ervaringen schrijft ze op in haar eerste verhaal over de ‘verloren dochter’, wat meteen het ontroerendste deel van deze roman oplevert.

Lisette schiet raak. Haar zijn de wonden die moeten zijn geslagen om gelouterd, met de nodige levenswijsheid en moed, verder te leven, al jong toegebracht. Van haar kunnen we nog wel iets verwachten. Vader Alex blijft de pathetische sukkel die hij was. ‘Hij die leeft zoals het hem het beste uitkomt, zal niet sterven zoals het hem het beste uitkomt’, luidt zijn op een oude scheurkalender aangetroffen wijsheid. Hij kort de zinspreuk in tot de woorden ‘hij die leeft …’ en put daar de moed uit om ondanks zijn onmacht door te gaan met leven en schrijven. Stoutmoedig, vindt hij dat van zichzelf: ‘Hondsbrutaal, Françoise, hondsbrutaal’. En misschien is brutaliteit ook wel een kracht of zelfs een deugd, waar mensen die gebukt gaan onder de zinloosheid van het bestaan troost aan kunnen ontlenen.

Bij mij treffen de louterende metafysische pijlen van Stahlie geen doel. Anders dan het merendeel van haar altijd verrassende korte verhalen beginnen haar romans op invuloefeningen te lijken, geloofsbelijdenissen van het schrijverschap, opgetuigd met de woeste schijngevechten van nogal bloedeloze personages.