‘In eenvoud schuilt de verfijning’

Pianist Alfred Brendel (77), legendarisch om zijn interpretaties van Mozart, Beethoven, Haydn en Schubert, treedt in oktober voor de laatste keer op in Amsterdam tijdens zijn afscheidstournee. „Ik stop nu dat geestelijk en lichamelijk nog niet hoeft.”

Alfred Brendel tijdens een optreden in Usher Hall, Edinburgh Foto Clive Barda Alfred Brendel Usher Hall, Edinburgh August 2003 Barda, Clive

In Hampstead is de drukte van Londen even ver weg als hij geografisch nabij is. Dit duurste stukje Groot-Brittannië is van oudsher de wijk voor intellectuelen en kunstenaars. Aan een lange laan ligt het Victoriaanse huis van pianist Alfred Brendel. De melkboer heeft op de trap twee flesjes melk achtergelaten, binnen snort de laptop van een persoonlijk assistente. Aan de wanden: een collectie harige maskers, poppen en monsters. Brendel koestert een fascinatie voor fabeldieren sinds hij ontdekte dat zijn naam afstamt van Brändli – in de heksenliteratuur van de zestiende eeuw een van de namen voor de duivel. Op zijn kamerdeur hangt een emaillen waarschuwingsbordje. ‘Kirche – kein zutritt’.

Brendel woont sinds 1971 in Londen. Het is de grootste stad van Europa – dat speelde mee. En het Britse gevoel voor humor en zin voor individualiteit. Hij houdt, als meestal gekleed in tweed en corduroy, audiëntie in zijn studeerkamer. Overal liggen boeken. Kunsthistorische studies, geschiedenis, literatuur, muziek. „Ik zou ze graag lezen, maar ik schrijf zelf. Dus heb ik er geen tijd voor.” Raspende lach. Hij is net klaar met studeren zegt hij, en straks gaat hij weer verder. Om zijn vingertoppen zitten pleisters; ooit speelde hij ze tot bloedens toe stuk op – nomen est omen – Beethovens Hammerklavier-sonate. Sindsdien zijn de pleisters onderdeel van zijn speelroutine. En vanavond gaat hij naar Stifters Dinge, een nieuwe opera van Heiner Goebbels. „Spannende materie; veel muziekmachines in een universiteitskelder! Komt u ook?”

Geen pianist gaf zoveel solorecitals in het Amsterdamse Concertgebouw als Alfred Brendel. Hij was de eerste die de complete pianowerken van Beethoven vastlegde op de plaat en is in het aantal opnames dat hij maakte überhaupt ongeëvenaard door enig ander pianist. Brendel gold altijd als de ‘intellectueel’ onder de pianisten, maar zijn carrière omspant zo’n lange periode dat dat beeld incompleet is. Constanten zijn het gevoel voor muzikale architectuur, de gave om grote lijnen op te lichten met kleine verrassingen. Maar zijn typerende, heldere toucher werd langzaam een beetje romiger. En emoties – bij de jonge Brendel nog geïnternaliseerd in het zo goed mogelijk treffen van de bedoelingen van de componist – kregen meer ruimte. „Emoties: ja. Maar ik ben niet sentimenteel.”

Brendel – van nature geneigd tot zelfreflectie – heeft de ontwikkeling van zijn eigen spel zelfs in twee formules gevat, zegt hij. „Eén: ik hoop dat ik vrijer speel, maar ook preciezer. En twee: dat ik me meer beperk tot de essentie, maar ook verfijnder speel. Hoe ouder je wordt, des te meer informatie je hersenen hebben opgeslagen. Dat zou moeten betekenen dat je ook beter kunt beoordelen wat de essentie is van een stuk. Mijn doel, en hoop, is dat ik het karakter, de psychologie van de stukken die ik speel steeds beter heb kunnen treffen – zoals een acteur dat doet bij het spelen van een rol. Bij Mozart is het muzikale karakter in zijn werken meestal heel duidelijk. Om de theatermetafoor voort te zetten; je weet precies welke personages hun opwachting maken.”

Toch durfde u juist Mozarts sonates pas relatief laat aan.

„Artur Schnabel zei: ‘Mozarts sonates zijn te makkelijk voor kinderen, te moeilijk voor professionals.’ Als consciëntieus uitvoerder dien je je ervan bewust te zijn dat er geen riskanter repertoire denkbaar is. Mozarts pianosonates zijn naakt, uitgebeend, je kunt je nergens achter verstoppen. En dus moet je wachten tot je ervaren bent. Terwijl je ook weer niet té oud kunt zijn, want elke nuance telt en van technisch controleverlies mag geen sprake zijn.”

Het is moeilijk voorstelbaar dat Brendel (Wiesenberg, nu: Loucná nad Desnou in Noordoost-Tsjechië, 1931) er straks echt mee ophoudt. Op 8 oktober soleert hij in het Concertgebouw nog één keer; met het Tonhalle-Orchester Zürich speelt hij Mozarts Pianoconcert nr. 9, bijgenaamd ‘Jeunehomme’. De ironie juist dat werk te kiezen voor een afscheidstournee, is te typerend voor Brendels humor om toevallig te kunnen zijn. En daarna valt het doek.

Wie Brendel spreekt, moet zijn vragen ruim tevoren schriftelijk overleggen. Dat is geen formaliteit, maar perfectionisme; Brendel neemt zijn exemplaar van de lijst – eigenhandig geannoteerd – bij het gesprek op schoot. „Vraag 1. Ik koos het Jeunehomme-concert voor mijn afscheid omdat het een van Mozarts belangrijkste meesterwerken is”, antwoordt hij. „Mozart was 21 en bereikte voor het eerst het allerhoogste componeerniveau. Als je het vergelijkt met de concerten die hij ervóór componeerde, geloof je bijna niet dat ze het werk zijn van dezelfde componist. Erna kostte het hem trouwens ook flink wat concerten om dit niveau weer te bereiken.”

De relatie tussen Brendel en het Amsterdamse Concertgebouw is hecht. In 1972 speelde hij hier zijn eerste recital, sindsdien keerde hij er 47 keer terug. Hij noemt de zaal ook in een lijstje met lievelingszalen, tussen – „in willekeurige volgorde” – Wenen en Boston. „De kwaliteit van de akoestiek is uniek door de combinatie van helderheid, warmte en aura”, zegt hij. „Maar die hoesters! Ze verpesten veel. En in geen stad wordt zo gehoest als in Amsterdam.”

Brendel is berucht om zijn perfectionisme, dat zich ook uitstrekt tot het instrument dat hij bespeelt. Volgens een mythe was hij in het Concertgebouw ooit een hele nacht bezig zijn vleugel gereed te maken. Hij moet er smakelijk om lachen. „Wat een baarlijke nonsens. Maar het duurt soms wel uren. Een goede piano is van onder tot boven gelijk in toon, waardoor geen noot eruit springt, of juist dof klinkt. En de dynamische mogelijkheden moeten overal gelijk zijn. Ik begrijp pianisten niet die het een uitdaging vinden te spelen op een instrument dat niet exact op hun wensen is afgestemd. Je hebt een idee over de werken die je speelt. Het is je plicht naar de werken toe daar je uiterste best voor te doen. Het instrument verdient dan dus óók maximale zorg.”

Een andere mythe: in uw zoektocht naar de ideale klank zou u de hamerkoppen van een vleugel in het Concertgebouw eens hebben ingeprikt met een vork uit de kantine?

„Wát? Dat is echt absurd. Ik prik alleen in mijn eigen instrumenten.”

Waarom reist u niet met een eigen instrument?

„Het heeft weinig zin. Elke zaal is anders; het instrument en de zaal moeten echt bij elkaar passen. Soms voelt de aanslag van één instrument in verschillende zalen zelfs totaal anders aan als gevolg van de akoestiek. Maar ik kies altijd een Steinway. De tijd van goede Bösendorfers en Bechsteins ligt achter ons.”

Zowel in Brendels discografie van de afgelopen vijftig jaar als in de recitals die hij speelde, lag een nadruk op de Weense klassieken. De laatste tien jaar speelde hij zelfs vrijwel uitsluitend muziek van Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. „Een kwestie van kwaliteit”, reageert hij. „Zij zijn de componisten die me blijvend overtuigen. Als je ouder wordt, ga je je afvragen wat meer of minder noodzakelijk is.” Voorbeelden wil hij best geven. Rachmaninov, Philip Glass – onnodig. „Maar ook een deel van het repertoire dat wél interessant is, heb ik moeten laten vallen. Aan atletische stukken als de pianoconcerten van Brahms waag ik me niet meer. Ook Beethovens Hammerklavier-sonate en Schuberts Wanderer Fantasie zijn verleden tijd. Ik treur daar niet om. Vergeet niet dat juist de componisten van mijn voorkeur gigantisch veel muziek hebben nagelaten.”

Haydn lijkt in uw recitals en cd’s naar verhouding onderbedeeld.

„Hij schreef gewoon minder echt goede pianomuziek. Van Haydns pianosonates zijn er twaalf die ik innig liefheb en zo vaak als mogelijk speel.”

Maar Haydn op zijn best…

„...is een van de componisten aan wiens muziek ik nu met veel plezier mijn oude dag ga wijden. Haydn was in zijn tijd de grootste componist, nu is hij voor ingewijden. Ik heb eraan gedaan wat ik kon zijn reputatie te helpen, maar hij leidt nog steeds onder de negentiende eeuw. Schumann zei: ‘Haydn is een welkome huisgast, maar hij heeft nooit eens wat nieuws te vertellen.’ Onwaar en zeer schadelijk. Voor mij is Haydn dé muzikale avonturier en onderzoeker, altijd vol verrassingen.”

Brendel is autodidact. Afgezien van de basis die hij legde tot zijn zeventiende en de masterclasses die daarna bij onder anderen Edwin Fischer volgde, sleep hij zijn bekwaamheid aan bandopnames van eigen spel. „Natuurlijk was dat een lastige weg”, zegt hij. „Luisteren naar jezelf moet je leren. Veel van mijn ijkpunten waren intuïtief. Pas later ontwikkelde ik een meer intellectuele werkwijze. Maar nog steeds is analyse van de partituur voor mij nooit de voornaamste bron van een uitvoering. Het gaat erom wat de noten zeggen. Aangeven wat verschillende stukken met elkaar gemeen hebben, is eenvoudig. Het treffen van het wezenlijke, dat wat dat ene stuk uniek maakt – dat is ontzettend moeilijk. Maar dat is wel het doel.”

U beschouwt Edwin Fischer in dat opzicht als een van uw belangrijkste leermeesters. Waarom?

„Einstein zei ooit: alles moet zo eenvoudig mogelijk worden gedaan, maar niet eenvoudiger dan dat. Dat is een motto dat pianisten én journalisten in reuzenletters aan hun muur zouden moeten ophangen. Fischer was een meester in het combineren van eenvoud met controle. In zijn interpretaties hield hij de grote lijn vast, en slaagde er ook nog in een ontspannen klank te realiseren. Dat klinkt doodeenvoudig, en daarin schuilde dan ook precies zijn meesterschap. In de eenvoud schuilt de verfijning. Daarin is hij mijn grote voorbeeld, nog steeds.”

U geeft, met mate, ook zelf les. Gaat u dat nu meer doen?

„Zoals Fischer míj vroeger heeft geholpen, zo wil ik ook helpen jonge concertpianisten te helpen. Maar met mate. En alleen als ze het niveau en de leeftijd hebben om mijn inmenging de moeite waard te laten zijn. Overigens heb ik onlangs mijn eigen regel gebroken door me ook met de begeleiding van een wonderkind in te laten. Hij is vijftien, en briljant. Zijn Bach – een toonbeeld van ontspanning, flexibiliteit én ruggengraat. Ik kon het daarom niet laten op zijn vraag om lessen in te gaan. Het voornaamste is hem nu een paar jaar uit de wind te houden, zodat hij zich rustig kan ontwikkelen.”

Als een vaderfiguur?

„Ik probeer me als leraar verre te houden van de rol van pastoor, minnaar of vader. Ook daarin spiegel ik mij aan Fischer, die een zeldzame emotionele integriteit en intelligentie bezat. In de masterclasses die ik bij hem volgde, waren zijn of mijn individu van geen belang – alles stond in dienst van de muziek.”

Had u als jongeman een duidelijk beeld van de pianist die u wilde worden?

„Ik had het idee dat er een talent was, en dat het de moeite waard was dat talent centraal te stellen en te ontwikkelen. Maar ik had geen haast. Ik dacht; als ik vijftig ben, dan wil ik wel iets hebben bereikt. En dat was zo.”

En nu? Wat stelt u zich voor van de 90-jarige Brendel?

„Haha, helemaal niets. Ik plan tegenwoordig niet verder meer dan twee jaar vooruit.”

Waarom stopt u juist nu met spelen?

„Iemand vroeg me eens: hoe wilt u sterven? Toen heb ik geantwoord: op het juiste ogenblik. Dat geldt voor pianospelen ook, en dat ogenblik is nu. Ik wil niet wachten tot het fysiek verval me het stoppen dicteert. Ik heb er daarom nu ook volledige vrede mee – juist omdat er op dit moment mentaal noch fysiek noodzaak voor is. Ik speel concerten uit vrije wil, niet onder invloed van een demonische dwang.”

Demonische dwang?

„Ja, er zijn veel collega’s die verslaafd zijn aan het geven van concerten. Ik heb altijd twee levens geleid; één in de muziek, één in de literatuur. Na mijn laatste concert, op 18 december, heb ik een paar maanden vrijgemaakt om mijn zinnen bijeen te rapen. Om na te denken over de lezingen die ik ga geven. En over elektronica. Ik heb me daar tot dusverre afzijdig van weten te houden, maar in de toekomst wil ik fragmenten uit partituren kunnen projecteren om mijn betoog te ondersteunen.”

Een einde is definitief. Aan een opname van Chopins 24 préludes bent u nooit toegekomen.

„Helaas geloof ik niet in een volgend leven, anders zou ik dan inderdaad meer Chopin en Bach spelen. Maar ik had mijn redenen het niet te doen. Ik ben een te groot bewonderaar van Alfred Cortot, die Chopins 24 Preludes zo prachtig speelde dat elke prelude een voltrekt ander karakter had. Bach werd in mijn tijd enigszins geclaimd door de authentieke uitvoeringspraktijk. Jammer; ik houd erg van polyfonie.”

U heeft nog wel dit leven.

„Daarin zal ik veel naar Händel en Bach luisteren. En wellicht nog gedichten schrijven – als ze tussen slaap en waak tot mij komen.”

U ligt vaak wakker?

„Ik ben altijd pessimistisch, in de hoop blij verrast te worden. De financiële crisis, opwarming van de aarde, het religieus fanatisme, uitgeputte energiebronnen en groeiende wereldbevolking stemmen mij niet hoopvol. Natuurkundige Max Born schreef ooit aan Albert Einstein: emoties en intellect in de mens zijn kwaadaardig van intentie. Maar gelukkig laat muziek ook voorbeelden van het tegendeel zien.”

Alfred Brendel, 8/10 Concertgebouw Amsterdam (uitverkocht). Inl.: www.alfredbrendel.com

    • Mischa Spel