Ik dreef in de soeppan en kon er niet uitkomen

Perihan Magden: Moord op de boodschappenjongens. Athenaeum- Polak & Van Gennep. Vertaald door Hamide Dogan, 148 blz. € 17,95.

Zeggen dat de roman van Perihan Magden absurdistisch is, is een understatement. Wie hem ter hand neemt in de veronderstelling dat het gaat om een misdaadroman, waarin een moord op boodschappenjongens wordt gepleegd, zoals de titel suggereert, komt bedrogen uit.

Magden is een 48-jarige schrijfster, psychologe en columniste uit Istanbul die wegens haar kritische standpunten meermalen door de Turkse overheid voor de rechter werd gedaagd. In deze eerste roman uit 1991 maakt ze korte metten met de verwachtingen die westerse lezers vaak hebben van Turkse literatuur. Geen oriëntaalse referenties, geen clash of cultures, geen Turkse gerechten, geen eerwraak, geen schaduw van een verwijzing naar politiek of de positie van de vrouw.

Het is zelfs nauwelijks te zeggen waar of wanneer zich wat afspeelt. Een grote stad, ja, zo veel is duidelijk, een verwarrende stad met veel straten, vage panden en gebons op deuren, en met een verteller die al even in de war is. Hij leeft in dromen, nachtmerries, ontmoet een dwerg en de Prins van Mantsjoerije, een apin, de Man met de Ierse pet en die met het glazen oog. ‘Ik zat soep te eten aan een wit gedekte tafel. Samen met mijn mooie vrouw en twee kinderen. We aten samen soep. Het was ineens alsof ik in de soepkom dreef. Het was verstikkend, ik zwom, maar het was onmogelijk om uit de kom te komen’. Die atmosfeer van verstikking en opgejaagd zijn hangt als een dreigende wolk boven het boek.

Dan is er nog die vreemde koeriersdienst van de stad, een legertje aan boodschappenjongens, allemaal met ‘blond krullend haar, helderblauwe ogen en kuiltjes in de wangen’, gekleed in ‘een lila-geel gestreepte broek met knopen ter hoogte van de knie, witte sokken met pompons, gestrikte leren schoenen’, die allemaal kopieën van elkaar zijn, gekloonde ‘engelachtige replica’s die via kunstmatige inseminatie ter wereld zijn gekomen’. De een na de ander wordt dood gevonden en de verteller krijgt de taak om die moorden op te lossen. Een onmogelijke opdracht voor iemand ‘die het zelfs zwaar valt om zijn eigen veters te strikken’ in ‘deze stad die je tot waanzin drijft’.

Het enige mij bekende boek waarmee deze roman te vergelijken valt is Djinn (1981) van de Franse schrijver Alain Robbe-Grillet. Net als Djinn zit dit boek vol met gezichtsbedrog en valse schijn. Gangbare beelden worden gemanipuleerd, dialogen hebben een dubbele bodem, spiegels reflecteren niet dat wat ze zouden moeten weerschijnen. Personages bewegen zich in een magisch-realistische wereld, ze hebben vreemde namen, gaan (vaak onbewust) ergens naar toe en komen dan weer uit bij het punt van vertrek – waar inmiddels alles anders is.

Ook Magdens boek heeft iets weg van een detective, een spionageroman of sciencefiction, maar het heeft lak aan de wetten die daar gelden. Net als in Djinn blijft er iets voor de lezer verborgen, hij wordt bewust of onbewust op een dwaalspoor gezet. De verteller strompelt door het leven, vallend, drinkend, zoekend naar betekenis die uitblijft. En toch is het daar om te doen: ‘tegenwoordig struikel je over de mensen die de hele tijd maar roepen dat ze niets, helemaal niets van het leven begrijpen. Alsof ze ook maar iets hebben ondernomen om het leven te begrijpen! Alsof ze uit hun luie stoel zijn opgestaan om het leven te begrijpen!’

Bij Robbe-Grillet kreeg Djinn in de loop der tijd een duidelijke plaats in een groot, coherent oeuvre. Dit krachtige, originele debuut maakt nieuwsgierig naar de andere romans die Magden inmiddels in Turkije heeft gepubliceerd.

Vanavond geeft Perihan Magden een lezing in Utrecht. Info: 030-2316040 of www.rasa.nl