‘Ik ben geen Holocaustschrijfster’

Haar korte verhalen en romans maken Cynthia Ozick tot een grootheid in de Amerikaanse literatuur. ‘Literatuur móet kunst zijn met een grote K’.

Cynthia Ozick, in haar tuin Foto Kathy Willens/AP Author Cynthia Ozick poses for a portrait in the garden at her home in New Rochelle, N.Y., Wednesday, April 23, 2008. (AP Photo/Kathy Willens) Associated Press

Cynthia Ozick (geboren in 1928) is een nachtraaf van tachtig. E-mails verstuurt ze rond half drie ’s nachts. Op de afspraak in de vroege namiddag, komt ze hopeloos te laat. Na drie kwartier verschijnt ze in de openbare bibliotheek van New Rochelle, de New Yorkse voorstad iets ten noorden van de Bronx waar de schrijfster opgroeide en nog steeds woont: een onverwacht kleine gestalte, met een eigenzinnig grijs kapsel boven een fel lila vest. Ze hijgt na van het hollen en put zich uit in verontschuldigingen, de Joods-Amerikaanse schrijfster die dit jaar zowel de PEN/Nabokov als de PEN/Malamud Award won.

De jury’s roemen Ozicks ‘wonderlijke verbeelding’, haar ‘onstuitbare intelligentie’ en haar kwaliteiten op het vlak van het korte verhaal. Critici bewieroken haar al langer als ‘de vrouwelijke Philip Roth’. Ozick blijft nuchter bij die erkenning: „Ik ben een writer’s writer, wat wil zeggen dat mijn werk lovende kritieken krijgt, maar slecht verkoopt. Ik krijg mijn doorbraak naar de bestsellerlijsten maar niet geforceerd.” Misschien ligt dat aan haar voorliefde voor literaire onderwerpen? The Messiah of Stockholm gaat over een recensent, die zich de zoon waant van de Poolse fantast Bruno Schulz. Ruth Puttermesser uit Puttermesser Paired modelleert haar liefdesleven naar dat van George Eliot. Het zijn buitengewone novelles – origineel, tragisch, beeldrijk – die voorbestemd lijken voor een kleine kern hardcore literatuurfans. Ozick wijt haar elitaire reputatie aan meer dan haar onderwerpskeuze: „Bij populaire lectuur telt alleen de plot, terwijl een roman voor mij veel meer is dan entertainment of communicatie. Ik boetseer tijdens het schrijven mijn zinnen. Literatuur moet kunst zijn met een grote K.”

High art is de term die Ozick gebruikt in het Engels. „De mensheid is verdeeld in twee kampen”, stelt ze vast. „Je hebt mensen die van hoge kunst houden, en mensen die er onverschillig bij blijven. Dat verschil is onoverbrugbaar.” Ze illustreert haar punt met een anekdote. „Laatst kwam er op een bruiloft een vrouw naast me zitten. Ze zei dat ze een fan was van mijn werk, omdat ze dezelfde voornaam had als een personage in één van mijn verhalen. En daarover wou ze het hebben. Want het liep zo slecht af met ‘haar’ personage, kon dat niet vrolijker? Ik was totaal overdonderd en dacht: ‘Hoe moet ik zelfs maar praten met deze vrouw? Onze gedachten hebben geen enkel raakpunt!’ Ik wou vragen: ‘Leest u Kafka, en vond u dat vrolijk?’ Gelukkig speelde het bruidsorkest zo luid dat we ons gesprek voortijdig moesten afbreken.”

Eigenlijk doet Ozick al te bescheiden over haar commerciële succes. Voor een hooggestemde, stilistisch ambitieuze schrijfster haalt ze meer dan behoorlijke verkoopscijfers. De Sjaal, een Holocausttweeluik uit 1980, groeide uit tot een Amerikaanse klassieker, en Erfgenamen van een Glinsterende Wereld, haar roman uit 2004, werd in Engeland een bescheiden hit. Niet toevallig zijn die twee titels ook verkrijgbaar in het Nederlands. Geven zij een representatief beeld van Ozicks schrijverschap? De vraag verrast haar: „Ik schreef nog vier romans, vijf essaybundels en een twintigtal novelles, dus ik zou hopen van niet.” Later komt ze erop terug: „Zowel in Rosa (het tweede deel van De Sjaal, BdM) als in Erfgenamen schets ik de psychische en financiële moeilijkheden van Joods-Europese migranten in Amerika. Dat zou je typerend kunnen noemen. Maar De Sjaal is zo’n extreem verhaal. Nooit ervoor en nooit erna heb ik een boek geschreven dat zo door en door duister is. Doorgaans ben ik eerder tragikomisch.” Als ze hoort dat uitgeverij Houtekiet plannen koestert voor een volgende vertaling, suggereert ze een bloemlezing van haar korte verhalen: „Daarin toon ik zoveel verschillende facetten, dan begrijpen lezers meteen dat ik geen tyische ‘Holocaustschrijver’ ben.”

Als dochter van Joods-Russische apothekers groeide Ozick op in het New York van de jaren dertig en veertig: „Ik was immens gelukkig op high school. Ik had een krantenwijk, leerde Latijn en Duits, las de Romantische dichters ... en dat allemaal terwijl in Europa de concentratiekampen in werking waren.” Hoewel de oorlog zich op een ander continent afspeelde, besefte Ozick als kind goed wat er gebeurde: „Ik zie mijn grootmoeder nog in onze keuken staan. De tranen stroomden over haar wangen en ze sloeg zich met de krant op haar borst. Het was 1939 en Groot-Brittannië had net beslist om geen Joden meer binnen te laten in Palestina. Hitler begon aan zijn opmars en Europa sloot gewoon zijn deuren.” Ozick wacht even. „Ik heb altijd beseft dat ik Joods ben en wat antisemitisme betekent. Maar ik ben geen slachtoffer. Ik heb al veel plezier beleefd aan mijn Joods-zijn, dat is in Amerika gemakkelijk.”

Cynthia Ozick is een Joodse schrijfster par excellence, maar ervaart dat label ‘altijd als beperkend’. Zo heeft Erfgenamen van een glinsterende wereld volgens haar twee evenwaardige verhaallijnen. Enerzijds heb je professor Mitwisser, die een marginale Joodse sekte bestudeert, en begin jaren dertig met zijn gezin van Berlijn naar New York verhuist. En anderzijds heb je ‘de Berenjongen’ James, die tegen wil en dank de hoofdrol speelt in zijn vaders populaire kinderboeken – waarbij Ozick knipoogt naar het leven van A.A. Milnes zoon Christopher Robin en de Pooh-bibliotheek. „Ik wou beide verhalen even graag vertellen”, benadrukt de schrijfster, „en toen ik zag hoe ik hen kon verbinden, voelde dat als een revelatie. Erfgenamen is een boek over de menselijke drang tot interpretatie. James is een object voor zijn vader, die hem een eigen leven ontzegt. Terwijl de sekte van Mitwisser elke vorm van (bijbel)uitleg afwijst, wat onmogelijk is – er is geen ‘zuivere’ lezing van De Schrift. Erfgenamen toont dat interpretatie een potentieel gevaarlijke, maar essentiële, onvermijdelijke beschavingsdaad is. Is het dan geen beperking om het boek als ‘een Joods verhaal’ te omschrijven?”

Wie Ozick hoort vertellen over haar werk – gepassioneerd, ernstig, gedecideerd – weet dat zij een schrijfster is die veel nadenkt. Haar bekentenis, in één van haar essays, dat ze ‘schrijft als een slak’ komt dan ook niet als een verrassing. Wel gek is dat toegeeft soms bang te zijn van het schrijven. Met twee Lifetime Achievement Awards in de kast, zou je denken dat ze weet wat ze waard is. Ozick: „Ik heb een dubbel gevoel bij die onderscheidingen, omdat ze zo laat komen. Erkenning moet je vroeg in je loopbaan krijgen, dat sterkt je zelfvertrouwen. Kijk naar John Updike, kijk naar Philip Roth. Dat zijn machines waar boek na boek uitrolt”, zegt ze lachend.

„Als je met je pen gaat zitten, mag je niet bang zijn. Ik beweer niet dat Roth een man zonder angst is. Hij is bang voor ouderdom, voor aftakeling... maar niet voor schrijven. En daar benijd ik hem om.”

Ozick heeft het sputterende begin van haar carrière tegelijkertijd wel én niet achter zich gelaten. Nadat ze met een scriptie over Henry James was afgestudeerd, begon ze als prille twintiger aan haar ‘grote Jamesiaanse roman’, een fiasco. Zeven jaar en ontelbare onafgewerkte versies later, besloot ze het project te begraven. „Zonder rancune”, zegt ze nu. „Ik kreeg een beter idee, dat ik uitwerkte tot mijn debuut Trust.” Met het nodige gevoel voor humor vergelijkt ze haar jongere zelf met de bijbelse Jakob, „die verlangde naar Rachel, maar eerst zeven jaar met Lea moest doorbrengen. Ik bracht zeven jaar door met Mercy, Pity, Peace and Love, voor ik toekwam aan mijn echte bruid, Trust.” Toch zindert het eerste, onafgewerkte boek in zekere zin nog na: „Ik weet waarom Mercy mislukte. Ik was onervaren, ambitieus en wilde met alle geweld een filosofische roman schrijven over een geleerde. Op die leeftijd had ik daar de capaciteiten niet voor. Maar het verlangen om een boek te wijden aan een master mind is nooit helemaal verdwenen.” Ze stopt even, trekt één wenkbrauw op en vraagt quasi vertrouwelijk: “Waar denk je dat professor Mitwisser uit Erfgenamen vandaan komt?”

    • Barbara de Munnynck