Het verborgene is hier

Jacob Groot Foto Ramin Visch Jacob Groot: Billy Doper. De Harmonie, 171 blz. € 17,50 Al 25 jaar is het Van Doesburghuis in de Parijse voorstad Meudon beschikbaar voor Nederlandse kunstenaars om een jaar in te verblijven. De betonnen, volgens Theo van Doesburgs strenge wiskundige principes ontworpen atelierwoning wordt gebruikt om in te werken, maar moet ook door de tijdelijke bewoners onderhouden worden. De dichter Jacob Groot verbleef er een jaar, en zijn roman Billy Doper is een weerslag van die periode. Visch, Ramin

Jacob Groot: Billy Doper. De Harmonie, 171 blz. € 17,50

Al 25 jaar is het Van Doesburghuis in de Parijse voorstad Meudon beschikbaar voor Nederlandse kunstenaars om een jaar in te verblijven. De betonnen, volgens Theo van Doesburgs strenge wiskundige principes ontworpen atelierwoning wordt gebruikt om in te werken, maar moet ook door de tijdelijke bewoners onderhouden worden. De dichter Jacob Groot verbleef er een jaar, en zijn roman Billy Doper is een weerslag van die periode. Het leven in Meudon, met aan de ene kant de groene heuvels ten zuidwesten van Parijs, aan de andere kant de beneden liggende metropool, vol grimmige beloften, filmische romantiek en haveloze achterafbuurten, is precies het tussengebied dat Groot bestrijkt in zijn roman, die eigenlijk een lang prozagedicht is.

Voor Billy Doper verzamelde Groot al de indrukken, beelden en gedachten die hij tijdens zijn jaar in Meudon opdeed in een schoenendoos, en vormde ze om tot het personage Billy, een zwerver tussen de taal in zijn hoofd, de alcoholische roes van Algerijnse achterafcafés in trieste Parijse buitenwijken, en de zuiverheid van de natuur en de liefde. Elke omzwerving eindigt weer in Van Doesburgs betonnen ‘stijlpaleis’ op de Meudonse heuvel, een toevluchtsoord waar hij zich maar matig thuis voelt. Hij rekent de architect zelfs tot een van ‘de aartsvaders van de zondeval […], de schepper van de hel op aarde […], de hoofdtoedekker, de belangrijkste verhuller, de wegmoffelaar, de topfraudeur aller landen als het gaat om hoe we bouwen wonen denken.’

Billy is naar heel iets anders op zoek: een soort mengsel van seksueel genot en mystieke zuiverheid, dat hij treffend samenvat met de term ‘reinheidswellust’. Ondanks zijn afkeer van Van Doesburgs kille huisontwerp en diens technisch uitgewerkte avant-gardisme vertoont Jacob Groot zelf aardig wat trekjes van de vroegtwintigste-eeuwse avant-garde: zijn experimentele taalgebruik om mee te beginnen, vooral in de manier waarop hij daarin consequent een heel primair gevoel weet te bewaren. Daarin wijkt hij op prettige wijze af van de taalexperimenten in veel postmoderne literatuur uit onze tijd.

Groot durft zowel platvloers als mystiek te zijn. En ook in deze eigenschappen doet Billy Doper aan de historische avant-garde denken. Een zin als ‘De geweldige enig geldige ethiek is de esthetiek van de oorlog om de verloren schoonheid te winnen’ komt inhoudelijk zelfs gevaarlijk in de buurt van de opvattingen van de Italiaanse futuristen – enthousiaste voorstanders van de Eerste Wereldoorlog. Jacob Groot stelt zijn kunst expliciet in het kader van (het verlangen naar) een metafysische eenheid, net als Van Doesburg, Mondriaan en vele avant-gardisten met hen dat gedaan hebben.

Maar veel meer dan de utopische constructivisten en futuristen dat deden, integreert Jacob Groot de kleine menselijke tekortkomingen in zijn werk, als vanzelfsprekende ontnuchtering. ‘Het maakt niets uit. We zijn absolute toevalligheden. We zijn noodlottige bedenksels. We bestaan net zo weinig voor elkaar als ieder voor zich, als afval voor de bloemetjes, als de berm voor de weg.’ De harmonie waar Billy naar zoekt bestaat gewoon uit mensen, de losers in de cafés met wie hij zijn leven deelt, zoals Jojo die pas uit zijn dak gaat als Led Zeppelin uit de speakers knalt bij het sluitingsuur, of Femel: ‘De voorstadslul? De knoeibal? De slijmjurk om de leest van schuim?’ En natuurlijk het nymfomane schoolmeisje Fille, met wie Billy een platonische relatie aanknoopt.

Seks en vriendschap, met al hun tekortkomingen, vormen de natuurlijke basis voor Billy’s filosofische escapades. Net zoals hij leeft in een schemergebied tussen stad en natuur kan hij zich enerzijds volstrekt verliezen in zijn grillig associatieve denkwereld, om zich dan weer met volle overtuiging terug te storten in de ontnuchterende werkelijkheid van het kroegleven in een treurige Parijse banlieu: ‘Seks, drank en weinig lol, drugs in je bol, gat in je hol […]’

De wereld van Jacob Groot bestaat niet zo zeer uit onoverbrugbare tegenstellingen: het hoogste en het laagste, het abstracte en het concrete, het spirituele en het biologische lopen simpelweg dwars door elkaar heen: ‘het verborgene is gewoon aanwezig, net als jij.’

In Billy Doper is bijna voortdurend een mystieke dimensie aanwezig, in de meest alledaagse situaties. Zo beschrijft Groot hoe Billy in de Parijse metro een man ziet die op schaamteloos intimiderende wijze een meisje van top tot teen uitcheckt. Het meisje voelt zich ongemakkelijk en Billy wil eigenlijk tussenbeide komen, hij doet een halfslachtige poging om haar gerust te stellen. Deze woord- en daadloze driehoeksverhouding tussen volstrekte onbekenden leidt tot een vraag en antwoordspel waarin de onderlinge verbondenheid tussen Billy en het meisje wordt onderzocht. Hun gedeelde afkeer van de man in de metro leidde niet tot toenadering, maar tot afwijzing: ‘Omdat ze de man allebei het recht hadden gegeven op zijn verwerpelijkheid? Ja. Omdat die verwerpelijkheid eigenlijk vlekkeloos was geweest, volmaakt beheerst, bijna brandschoon abstract in wezen? Ja. En daarmee verborgen en goddelijk en verbindend? Ja ja ja.’ Dan volgt het commentaar: ‘Priesterman? Abraham? Isaäk? Billy van Nazareth? Lul de Doper?’

Je wordt als lezer werkelijk alle kanten op geslingerd bij het lezen van dit wonderlijke boek. Of je laat je er door meevoeren, of het heeft je niets te zeggen. Een noemenswaardig plot is er niet, de actie vindt voornamelijk binnen de taal plaats. De stijlwisselingen vliegen je om de oren, soms binnen één zin. ‘Ik ben bang dat mijn bodemloze angst zo sfeerrijk, zo atmosferisch, zo klimatologisch is dat het geen verschil maakt of ik als een dier aan mijn kettingen rammel of ze losmaak en me uitlaat.’

Billy Doper is het soort boek dat je niet altijd hoeft te snappen, maar in de eerste plaats als een gebeurtenis over je heen moet laten komen. Af en toe zal Jacob Groots proza dicht in de buurt van de irritatiegrenzen van de lezer komen, maar dat is onontkoombaar in een boek dat met zoveel zelfvertrouwen de extremen van de taal, het denken en het verlangen opzoekt.

    • Ewoud Kieft