Geen VOC maar Jan Salie

Zakelijk initiatief en oog voor het publiek mogen dan sinds enige tijd hoekstenen van het landelijk cultuurbeleid zijn – deze zomer zou je dat niet gezegd hebben. Er was geen enkele kunstmanifestatie in Nederland die als een internationale publiektrekker zou kunnen gelden en de aanvoer van bussen Japanners en andere buitenlanders zou rechtvaardigen.

Het Museumplein in Amsterdam lag er – voor het hoeveelste jaar al eigenlijk – verweesd bij. Het Stedelijk Museum is dicht wegens verbouwing – zelfs een afbraakpand als het voormalig postkantoor naast het Centraal Station kan er bij de gemeente Amsterdam straks niet meer van af. Het Rijksmuseum is grotendeels dicht – ondanks enorme plakkaten op de steigers van de verbouwing met het woord ‘open’. Kortom: de hoofdstad des lands bood de kunstlievende toerist ook dit jaar weer een desolate indruk.

Voor dit alles zijn natuurlijk verklaringen. Er zijn talrijke redenen waarom het met de verbouwingen van Rijks- en Stedelijk zo traag gaat. Financiële redenen bijvoorbeeld, zoals de plotseling door de economische conjunctuur sterk gestegen aannemerskosten. Redenen kortom waarvoor een minister of een wethouder verantwoording kan afleggen zonder bang te hoeven zijn, politiek ten val te komen.

Het is net zoiets als met de hogesnelheidslijn naar Parijs. Meer dan dertig jaar nadat in Frankrijk de eerste TGV’s reden, moet de Nederlandse treinreiziger voor het traject Amsterdam-Brussel nog steeds drie uur uittrekken. De onvrede over het feit dat de HSL niet rijdt, legt het in Nederland af tegen de tevredenheid dat er tenminste geen extra geld is uitgegeven aan een veiligheidssysteem dat wél werkt.

Er gaat van die traagheid bij in het oog lopende projecten iets heel lamlendigs uit – de geest van Jan Salie, om een term te gebruiken uit de tijd dat aan het eind van de negentiende eeuw het Rijksmuseum werd gebouwd, juist om te laten zien dat Nederland wel degelijk iets groots kon verrichten, en in de Gouden Eeuw al had verricht. De geest van Jan de Wit – die van aanpakken dus – wordt mede van regeringswege wel aangeroepen als lichtend voorbeeld voor nu – als ‘VOC-mentaliteit’. Op het Museumplein is daarvan in ieder geval heel weinig te merken.

Voor imposant, ruimhartig en spectaculair cultuurbeleid moet je naar het buitenland – dat is de boodschap die er van uitgaat. In de hoofdsteden van de ons omringende landen verrijzen, lijkt het wel, aan de lopende band spannende musea en kunsthallen, die wél internationaal de bussen met toeristen in beweging brengen.

Wie belangrijke Nederlandse kunstenaars wil zien, kan het komende jaar trouwens heel goed terecht in het MoMA in New York (zie pagina 5 van dit CS). Maar zo gauw als het niet meer gaat om het individueel genie, maar organisatie om de hoek komt kijken, beginnen de problemen. Het Nederlands Danstheater en Het Nationale Ballet, ooit vlaggeschepen, zijn druk op weg hun internationaal toonaangevende posities te verliezen (CS pagina 16).

Dat laat Nederland achter met een imago dat niemand wil: een klein land, geheel verstrikt in zijn eigen problemen, in de internationale achterhoede. Maar o zo tevreden, dat er geen geld over de balk is gegooid. Aan het begin van het seizoen, en aan de vooravond van het feest van de Uitmarkt, is dat een sombere gedachte.

    • Raymond van den Boogaard