Fluitend en dansend penselen

Een Amerikaans jurist speurt al jaren naar beeldend werk van schrijvers. De tekeningen, schilderijen en sculpturen van meer dan tweehonderd auteurs bracht hij samen in ‘The Writer’s Brush’. Dubbeltalenten of droedelaars?

Zelfportret van Anne Sexton (ongedateerd). | uit besproken boek

Donald Friedman: The Writer’s Brush. Paintings, Drawings, and Sculpture by Writers. Mid-List Press, 456 blz. € 37,–

Het literaire tijdschrift De Revisor nodigde ooit een flink aantal Nederlandse schrijvers uit hun zelfportret te tekenen. De inzendingen buitelden over elkaar heen en de oogst van 138 hoofden kwam in een boekje terecht. Je vraagt je af waarom, want de meeste tekeningen waren wel grappig of kinderlijk, maar gaven toch vooral uitdrukking aan het begrip droedel. Een stuk of tien hoofden staken er bovenuit, zoals dat van Gerrit Kouwenaar, Marten Toonder (natuurlijk), Mensje van Keulen, W.F. Hermans met zijn zelfbenoemde ‘onweersneus’, en Rudy Kousbroek, die zijn gezicht op een Olivetti met fotografische precisie bij elkaar had getypt. Dubbeltalenten zijn schaars – dat was wel duidelijk.

Donald Friedman, een Amerikaanse jurist die in 2000 debuteerde met een roman, denkt daar anders over. Hij jaagt al jarenlang in de westerse wereld op het werk van schrijvers en dichters die zich ook als beeldend kunstenaar hebben geprofileerd. Het resultaat is The Writer’s Brush, een lijvig lees- en kijkboek over tweehonderd ‘dubbeltalenten’: vanaf schilderszoon Goethe (1749-1832), die zelf een kleurenleer ontwikkelde, vaak schilderde en flitsend kon schetsen, tot en met Tom Wolfe die zijn eigen artikelen vaak heeft geïllustreerd en van wiens hand de karikatuur van een moddervette Ted Kennedy in het boek is opgenomen.

Elk van de tweehonderd schrijvers en dichters kreeg een puntige biografie, met eigen of andermans uitspraken over de schilderijen en tekeningen die hij of zij maakte. Herman Hesse kon zich net als D.H. Lawrence geen groter genoegen voorstellen dan te tekenen of te schilderen; de 82-jarige toneelschrijver en Nobelprijswinnaar Dario Fo (1997) beweert dat hij ‘net uit de baarmoeder’ al ‘verfkwast’ riep. Henry Miller – ‘to paint is to love again’ – liet duizenden aquarellen na, die hij ‘fluitend en dansend bij elkaar penseelde’. Alleen Kurt Vonnegut ontleende er geen uitzonderlijk genoegen aan: ‘Ik had net zo goed kunnen gaan golfen.’

Wat E.T.A. Hoffmann, Gabriel Garcia Márquez, Tom Wolfe, Flannery O’Connor, John Updike en Jack Kerouac gemeen hebben, is dat zij eerst cartoons tekenden en ‘langzaam afdreven naar het schrijven’, omdat, aldus hun collega S.J. Perelman, ‘de tekstballonnen steeds groter werden’. Zij die als ‘echte’ beeldend kunstenaar hun carrière begonnen, onder wie Friedrich Dürrenmatt, Evelyn Waugh en Wyndham Lewis, stelden zichzelf in die hoedanigheid meestal zo teleur, dat alles wat er later op doek of papier kwam iets was wat je stiekem tussen de bedrijven door deed.

Friedman nam alleen die schrijvers op van wie tastbaar beeldend werk voor reproductie beschikbaar was – goed voor zo’n vierhonderd illustraties in dit boek. Daarom stuit je te midden van Gogol, Victor Hugo en de wel zeer onbeholpen tekenaar Marcel Proust op veel mindere goden als Hugh Nissenson, Deborah Greger, Carol Emshwiller of Adelbert Stifter, een 19de eeuwse Oostenrijkse schrijver-dichter, wiens zeegezicht van bruisende champagne je zonder dit boek waarschijnlijk nooit gezien zou hebben.

Vooral 19de-eeuwse schrijvers wisten nog wat tekenen was. Schetsen was ondanks de toen recente uitvinding van de fotografie (1845) meestal nog de enige reproductiemethode, die men zich vaak al jong had moeten eigen maken. Een ‘choreografisch’ uitstapje op papier ging hun moeiteloos af. Van de kalligrafie, portretten en architectuur die Dostojevski in zijn manuscripten neerkrabbelde, is in 1998 zelfs nog een boekje uitgegeven: Risunki Fedora Dostoevskogo. De gebroeders Goncourt lieten – voor zover niet vernietigd door gebroeder Edmond – etsen en aquarellen na die blijk geven van dermate geoefende handen en ogen dat je neiging krijgt te controleren of ze ze wel echt zélf hebben gemaakt. Gogol, eveneens ooit academie-student, wist net als Dostojevski losjes uit de pols architectuur te tekenen, en dan bij voorkeur barokke hoogstandjes, zoals rijkelijk opgesierde kathedralen. En George Sand, fan van Goya en Delacroix, kreeg brood op de plank dankzij de verkoop van haar portretten en landschappen. Sommige van haar doeken tonen volgens Friedman zelfs aan dat ze de impressionisten ver vooruit was. Het is jammer dat daar geen zichtbaar bewijs van in het boek is opgenomen.

Het was Friedmans streven zoveel mogelijk diversiteit te laten zien. Dat is gelukt, hoewel de Angelsaksische literaire wereld wel erg ruim vertegenwoordigd is. Sommige ‘continental’ dubbeltalenten, zoals Delacroix, Topor, Armando en Hugo Claus ontbreken ten onrechte. Vooral het multitalent Claus had Friedman niet over het hoofd mogen zien. Claus vernietigde wel veel van zijn beeldend werk, maar wat er over bleef, stelde hij regelmatig tentoon en er kwam zelfs een flink koffietafelboek van uit. Dus het excuus dat diens werk niet voorhanden zou zijn, gaat niet op. Tot zijn verdriet, zo vertelde Claus in een interview in deze krant, lukte het hem niet Clausiaanse schilderijen te maken. Hij bleef een vakbekwame navolger, vooral schatplichtig aan Cobra. En zoals de recent gepubliceerde correspondentie met Roger Raveel vertelt: Claus had al jong een hoge dunk van hen die zich wél op eigen kracht een beeldende stijl wisten eigen te maken – al moet je dat in die brievenbundel tussen de regels door lezen.

Is er in die vele schilderijen, tekeningen, strips, karikaturen en sculpturen een lijn te ontdekken? Nee, want je bladert van de erotische schetsjes van Joseph Conrad, dol op cancan meisjes, naar de bedachtzame zen-achtige inkttekeningen van Nobelprijswinnaar Gao Xingjian en dan naar Bruno Schulz, maker van verhalende, sado-masochistische tekeningen, schilderijen en etsen die in de oorlog in Polen grotendeels vernietigd zijn omdat hij Joods was. Inhoudelijk en stilistisch is er dus geen ander touw aan vast te knopen dan dat ook deze drie schrijvers zich verre hielden van abstractie, zoals bijna al hun collega’s.

Eenopvallend uitzondering is het wervelende prachtdoek ‘Het bedreigde huis’ (1962) van Lucebert, die samen met Janwillem van de Wetering ‘namens Nederland’ in dit boek is opgenomen. Dat Vandewetering, zoals hij in de VS heette, etnografisch getinte beelden maakte is niet zo vreemd; hij woonde jaren in Nieuw-Guinea. Eenmaal in Maine liet hij ze, afhankelijk van hun grootte, soms uitvoeren door timmerlieden: ‘Onderschat de timmerman niet’, schreef hij Friedman, ‘Christus was er ook een.’ De rhinoceros die Vandewetering uit takken en twijgen componeerde, oogt woest en waarachtig.

Inmiddels heeft de zeef van de tijd zijn werk gedaan. Kokoschka, Art Spiegelman en Dante Gabriel Rossetti worden als schrijvers opgevoerd, maar zij zijn gaan voortleven als beeldend kunstenaars. En de naam Jean (Hans) Arp associeer je met de soepele, als deeg gehakte sculpturen waar bij Bonn zelfs een apart museum voor is opgetrokken, maar niet met zijn poëzie.

De meeste schrijvers in dit boek mag je dus eigenlijk geen dubbeltalenten noemen, met uitzondering van William Blake, maker van mystieke taferelen, van August Strindberg, die uitblonk in het schilderen van ruige landschappen, en Günther Grass, wiens fijne pennetje alles wel zo’n beetje kon illustreren. Bij het merendeel van hun collega’s hingen hun beeldende bezigheden er een beetje bij, als een speelsere, directere uitdrukkingsvorm waarin zij zich meer vrijheid konden permitteren. Of, zoals Joseph Conrad het formuleerde: ‘met de kracht van het woord wil ik u laten horen, laten voelen en ik wil u bovenal laten zien’. Of dat ‘laten zien’ zich via het woord of via het beeld voltrekt, maakt uiteindelijk niet zo veel uit: de impuls is dezelfde, vond hij. Menig schrijver formuleert het weer anders: men komt woorden tekort en dan biedt het beeld uitkomst. Anderen vinden het schilderen en tekenen een ‘directere, eerlijkere manier van spreken’. Maar voor de meesten stond het plezier voorop, hoewel het therapeutisch belang ook vaak genoemd wordt.

Wat je Friedman een beetje kwalijk kunt nemen, is dat hij geen korte literaire citaten of gedichten van de uitverkorenen heeft overgenomen. Dat de vrouwelijke schrijvers sterk zijn ondervertegenwoordigd (22 van de 200) heeft hij enigszins gecompenseerd door een zonnig schilderij van Sylvia Plath op de cover van het boek te plaatsen. Ook haar zelfportret op 19-jarige leeftijd laat geen twijfel bestaan over haar schilldertalenten.

Een andere dichteres bij wier werk je meteen op je qui vive bent, is Anne Sexton. Ze portretteerde zichzelf tegen een turbulente, Van Goghiaanse achtergrond van blauwe tornadowolken. Meer dan die wolken is er van dit doek nauwelijks overgebleven, want met een modderige verfkwast heeft ze haar gezicht op het doek volledig weggeveegd.

Beide vrouwen ontmoetten elkaar in 1959 op een literair seminar. Plath pleegde vier jaar later zelfmoord, 31 jaar oud. Sexton deed hetzelfde, 45 jaar oud. Dit soort curieuze terzijdes maken The Writer’ s Brush tot een begerenswaardig lees- en kijkboek. En toch ook tot een naslagwerk, want waar zie je nou dat slapend naakt terug, geschilderd door haar echtgenoot, de bijna blinde Aldous Huxley?

    • Marianne Vermeijden