De middenmoot ligt op de loer

Ze zijn de vlaggeschepen van de Nederlandse dans – het Nederlands Dans Theater en Het Nationale Ballet. Hun plaats in de subsidiecarrousel is onomstreden. Maar uit interne evaluaties blijkt de artistieke crisis.

Illustratie Pépé Smit Smit, Pépé

Het Nederlands Dans Theater (NDT) en Het Nationale Ballet (HNB), de vlaggeschepen van de dans in Nederland, bestaan beide bijna vijftig jaar. De in 1959 opgerichte rebellenclub NDT is dankzij artistiek leiders annex choreografen als Hans van Manen, Glenn Tetley en Jirí Kylián uitgegroeid tot een vaste waarde, terwijl HNB (oprichtingsjaar 1961) als klassiek repertoiregezelschap min of meer vanzelfsprekend tot het nationale, culturele erfgoed is gaan behoren.

Beide gezelschappen zijn opgenomen in de groep ‘podiumkunstinstellingen met een langjarig subsidieperspectief’, wat neerkomt op een subsidiegarantie. Een door de minister benoemde internationale visitatiecommissie beoordeelt voortaan of de gezelschappen hun taken naar behoren vervullen. De eerste pilot-visitatie is dit jaar voltooid.

Op zichzelf lijkt zo’n vroeg verjaardagscadeautje een mooi gebaar, en bovendien komt het de duidelijkheid ten goede dat belangrijke groepen als HNB en NDT een status aparte hebben gekregen binnen het veld van de podiumkunsten. Het tijdstip van deze tenhemelopneming is echter minder logisch. Beide gezelschappen hebben de laatste jaren te kampen met problemen die niet primair van financiële aard zijn, maar vooral betrekking hebben op de artistieke koers en kwaliteit.

Het Haagse NDT worstelt

in feite al bijna twintig jaar met de vraag of het een gezelschap met een boegbeeld à la Kylián moet zijn (in het buitenland kent men NDT ook als The Kylián Company) of dat een terugkeer naar de oorspronkelijke uitgangspunten gewenst is: een centrum waar vooral nieuwe, speciaal gecreëerde werken worden gepresenteerd. Die vraag stamt al uit de late jaren tachtig, toen Kylián zijn eerste terugtrekkende bewegingen begon te maken en aangaf leidinggevende taken te willen afstoten. In de tien jaar daarna werd die manoeuvre stapsgewijs uitgevoerd en in 1999 volgde Marian Sarstädt hem op als artistiek leider.

Per 1 januari 2010 zal Kylián niet langer huischoreograaf zijn van de groep die tijdens zijn bewind een aantal interessante jonge choreografen voortbracht. Geen van hen bleek echter bekwaam of bereid het roer over te nemen. Ook niet Paul Lightfoot die, samen met zijn vrouw en artistieke partner Sol León, lange tijd als kroonprins gold. Kylián had hen gewaarschuwd: het artistiek leiderschap is funest voor de creativiteit.

In 2004 werd de leiding overgenomen door de Zweed Anders Hellström die – veelbetekenend – geen scheppend danskunstenaar is. Bij zijn aantreden werd duidelijk dat de ‘factor Kylián’ het gezicht van NDT nog sterk bepaalde, al was de productie van de Tsjechisch-Nederlandse choreograaf sterk teruggelopen. Wel kregen Lightfoot en León een prominentere plaats in het seizoen, mede als gevolg van het vertrek van huischoreograaf Hans van Manen. Nu, met het vijftigjarig jubileum voor de deur, drijft de programmering kwalitatief vooral op hun werk, reprises van ouder NDT-repertoire en bestaand werk van grootheden als William Forsythe en Ohad Naharin.

De laatste tien jaar zijn belangwekkende nieuwkomers met een eigen signatuur eigenlijk niet opgedoken, binnen noch buiten NDT – het gebrek aan nieuw choreografisch talent is een mondiaal probleem. De jonge danskunstenaars die de kans kregen een nieuw werk te creëren voor het prestigieuze NDT, zijn bovendien vaak bij verschillende groepen actief. Behalve artistiek teleurstellend kan het uitnodigingenbeleid dus langzamerhand niet meer uniek worden genoemd. Hellström heeft bij de aanstelling van de Canadese Crystal Pite als vaste gastchoreograaf wel Europese exclusiviteit geëist.

Nu de balletten van Kylián en Lightfoot León internationaal door steeds meer gezelschappen worden uitgevoerd, lijkt dat een even verstandig als noodzakelijk besluit, want het is in de globaliserende danswereld moeilijk nog een onderscheidend aanbod te creëren. Met het oog daarop komt de uitnodiging aan Marco Goecke, vaste gastchoreograaf van Scapino Ballet Rotterdam, wat inconsequent over.

NDT is kortom niet meer het unieke, toonaangevende, primair hedendaagse-dansgezelschap dat het ooit was. Met enige overdrijving zou men kunnen zeggen dat het teert op oude roem – verdiende roem, dat wel. Gelukkig is er nog altijd een gestage aanvoer van getalenteerde dansers – het niveau van de uitvoeringen is bij zowel NDT 1 (het kerngezelschap, met dansers van 23 tot 42) als NDT 2 (zestien ‘juniordansers’ tot 23 jaar) zeer hoog. Net als collega-dansgezelschappen wereldwijd is NDT de laatste jaren wel geconfronteerd met meer verloop dan ooit in het danserstableau. Bovendien kiezen de jonkies van NDT2 niet meer automatisch voor een voortzetting van hun carrière bij wat vroeger ‘de grote groep’ heette.

Ook Het Nationale Ballet kan niet

meer bogen op de voormalige status van ‘vrijzinnig klassiek’ gezelschap, waar naast de belangrijke romantisch-klassieke balletten en meesterwerken uit de twintigste eeuw ruimte was voor experiment – men denke aan de verrassende uitnodigingen aan Gerardjan Rijnders, Edouard Lock en Maguy Marin. Sinds het vertrek van de visionaire leider Rudi van Dantzig – wiens 75ste verjaardag volgende maand wordt gevierd met een hommageprogramma – is de seizoensprogrammering behoudender geworden, meer gericht op succes bij een breed publiek dan op verkenningen buiten de veilige grenzen van de (neo-)klassieke dans.

Onder Van Dantzigs opvolger Wayne Eagling, voormalig stersolist van het Britse Royal Ballet, kwam de artistieke ontwikkeling tot stilstand, maar steeg het technisch niveau van het ensemble aanzienlijk.

De huidige artistiek directeur, Ted Brandsen, nu vijf jaar aan het roer, heeft tot op heden geen neigingen vertoond zijn vrije programmeringsruimte op een avontuurlijke manier in te vullen. Hij heeft een uitgesproken voorkeur voor esthetische en virtuoze choreografieën, elegant en niet te zwaar op de maag liggend. Verrassend of spraakmakend zijn de jongste HNB-aanwinsten niet meer, al zijn sommige van hoog niveau (bestaande werken van Christopher Wheeldon of Alexey Ratmansky bijvoorbeeld) en worden zij vaak uitstekend uitgevoerd.

Ook hier is het repertoire steeds minder onderscheidend ten opzichte van internationale collega-gezelschappen. De Poolse Nederlander Krzysztof Pastor, de belangrijkste erfgenaam van de Gouden Jaren van HNB van ‘de drie Vans’ (Van Dantzig, Van Manen en Van Schayk), krijgt als huischoreograaf te weinig ruimte om – naast troefkaart Van Manen – als unique selling point ingezet te kunnen worden, terwijl Brandsens verantwoordelijkheid als artistiek directeur zich kennelijk moeilijk laat combineren met de creatie van interessante balletten. Het aantal buitenlandse optredens is teruggelopen, het solistenbestand is verzwakt en het verloop in het danserstableau is de laatste seizoenen erg groot. Dat heeft zijn weerslag op het uitvoeringsniveau van met name de grote klassieke werken – neoklassieke en hedendaagse choreografieën staan dit heterogene ensemble beter. Echter met het oog op een optimale zaalbezetting is juist het aantal voorstellingen van hedendaags werk teruggedrongen ten gunste van de avondvullende (klassieke) producties. Zo is HNB langzaam teruggevallen naar de trendvolgende, artistieke middenmoot.

Enig opknapwerk kunnen

HNB en NDT dus wel gebruiken. De internationale visitatiecommissie die het functioneren van beide gezelschappen moet beoordelen, ziet daartoe vreemd genoeg nauwelijks aanleiding. In de visitatierapporten laat de commissie haar licht schijnen over vier onderwerpen: missie en doelstellingen, kwaliteit, productiviteit en publieksbereik en condities voor continuïteit. Op al deze onderwerpen scoort zowel NDT als HNB ‘uitstekend’ tot ‘excellent’, waarbij NDT volgens de internationale experts meer uitblinkt.

De commissie neemt wel een punt over dat NDT in zijn opmerkelijk pittige en openhartige zelfevaluatie opwerpt: het verschil tussen NDT1 (‘de grote groep’) en NDT2 (de ‘junioren’) is veel mensen onduidelijk en wordt in de programmering te weinig benadrukt. De vraag of het bestaan van twee afzonderlijke groepen dan nog wel relevant is, wordt uit de weg gegaan, terwijl juist een onafhankelijke, internationale visitatiecommissie hierover een objectief oordeel zou kunnen vellen. NDT2 lijkt tegenwoordig in elk geval, eerder dan een aspirantengroep, een gelijkwaardig gezelschap, de internationale ambassadeur van NDT1, dat zelf nog maar zelden buiten Nederland optreedt.

Ook de matige zaalbezetting bij veel voorstellingen (totaal 77 procent) lijkt de visitatiecommissie nauwelijks te storen, al adviseert zij wel meer te doen aan het vasthouden en bereiken van een jonger publiek. Want niet alleen het klassieke HNB bereikt vooral veertigplussers; de aanhang van NDT wordt voor driekwart gevormd door die categorie.

Mede daarom, maar ook met het oog op de plaats van NDT in het bestel en de roemrijke historie van het gezelschap, wil artistiek leider Hellström in de toekomst sterker focussen op vernieuwing en talentontwikkeling, waarbij er plaats moet zijn voor „dwaze ideeën, opwindende dromen en ongelooflijke fiasco’s”. Daartoe krijgen de jaarlijkse workshop en het programma UpComing Choreographers, het ‘tussenstation’ voor de meest veelbelovende dansscheppers, meer accent in de seizoensprogrammering.

Dat laatste is overigens geen uniek idee. Internationaal zijn vergelijkbare initiatieven ontplooid en ook HNB wil met het programma Nieuwlichters de overstap van workshop naar regulier seizoensrepertoire versoepelen. De verantwoordelijkheid voor deze artistieke doorstroming ligt, vanuit de historie van het gezelschap, meer op de weg van NDT. In de zelfevaluatie staat ook nadrukkelijk dat NDT geen museum wil zijn – het predicaat The Kylián Company wordt zelfs, met respect, als ongewenst beschouwd.

De populariteit en artistieke kwaliteit van het werk van Kylián, Forsythe, Ek en Van Manen zijn echter te belangrijke factoren in het publieksbereik. Daarom kiest NDT niet voor een puur hedendaagse programmering, maar voor een driesporenbeleid: grote meesters, gevestigde talenten (onder wie Lightfoot León, Johan Inger en Crystal Pite) en ‘jonge avant-garde’. Afgaand op de namen die daarbij worden genoemd, lijkt de nadruk helaas eerder op ‘jong’ dan op ‘avant-garde’ of uitzicht op meer kwaliteit te liggen.

NDT kampt in feite met fundamenteler problemen dan de Amsterdamse collega, maar er zijn overeenkomsten, bijvoorbeeld op het gebied van de programmering van hedendaags werk. In verhulde termen is bij HNB enige zelfkritiek te ontwaren: het werk van gastchoreografen leidt volgens het gezelschap te weinig tot reprises of een nadere kennismaking. Verbetering op dit punt moet komen uit een intensivering van de samenwerking met een „selecte groep freelance choreografen”. De enige naam die vooralsnog wordt genoemd, is die van de Zwitser Martin Schläpfer.

Of het verstandig is de toch al

beperkte vrije programmeringsruimte op deze manier nog verder in te dammen, is de vraag. De echte smaakmakers van het hedendaagse ballet zullen zich waarschijnlijk niet zomaar willen of kunnen vastleggen. Bovendien ervaart een deel van het publiek het repertoire nu al als te weinig afwisselend, meldt HNB in zijn zelfevaluatie, en juist het publiek voor het neoklassieke en hedendaagse repertoire is „cultureel ontwikkelder”. Een flexibel repertoirebeleid lijkt dan een logischer antwoord, bovendien kan het fungeren als middel om het verloop in het tableau te beperken.

Tussen de regels door is te lezen dat HNB wel aanvoelt dat meer experiment gewenst is. Het stelt echter dat dat alleen mogelijk is als het tableau van tachtig naar negentig dansers wordt uitgebreid, zodat ruimte ontstaat voor avontuurlijke, parallelle programmering én meer (internationale) reisvoorstellingen. Dat lijkt een schijnargument: er zijn gezelschappen die beide doen met minder dansers.

De gewenste parallelle programmering wordt ook genoemd als middel om de eigen inkomsten op te schroeven (overigens scoort het gezelschap op dit gebied met 27 procent al bovengemiddeld). De vraag is of die twee doelstellingen zich laten verenigen. Hoe experimenteel kan het repertoire van een parallelle groep worden als het er ook om gaat veel publiek te trekken? Commercie en experiment verdragen elkaar in het algemeen slecht.

De visitatiecommissie ziet dat probleem kennelijk ook. Het vindt de wens voor uitbreiding van het tableau begrijpelijk, maar acht het raadzaam „eerst te investeren in verbetering van het repertoire en nieuwe producties en daarna in capaciteitsuitbreiding en in internationale ambities”.

Geld is belangrijk, maar voor een gedurfder programmering niet zaligmakend. Dat bewees Rudi van Dantzig al. Ruim twintig jaar geleden plukte hij Edouard Lock, voorman van de nu wereldberoemde groep La La La Human Steps, uit de periferie van de danswereld en presenteerde hem in Het Muziektheater. Het gezelschap dat in het Westen momenteel als toonaangevend geldt, het Ballet van de Opera van Parijs, probeert de laatste jaren op vergelijkbare wijze onbekend talent een kans te gunnen. In de plannen van HNB is een dergelijke manier van scouten en risico’s nemen niet te ontdekken.

De vlaggeschepen van de Nederlandse dans liggen dus bepaald niet op koers. Het Nationale Ballet wil een klassiek repertoiregezelschap zijn, maar ook afwisseling en avontuur bieden. De benodigde lef en visie ontbreken echter.

Ook het Nederlands Dans Theater zoekt naar een juiste balans tussen heden en verleden, experiment en veiligheid. Het wil de steven wel wenden en kiezen voor een terugkeer naar de roots, naar de geest van avontuur en vernieuwing, maar voelt dat het zich niet kan veroorloven de publiekstrekkers van het verleden los te laten.

Dankzij hun nieuwe beschermde status in de ‘erfgoedpool’ hoeven de bijna-vijftigjarigen zich geen zorgen meer te maken over hun voortbestaan, maar of ze ook een tweede jeugd tegemoet zullen gaan, is nog lang niet zeker.