De duvelstoejager redt zich wel

Mikael Engström: Op het randje. Vertaald door Bernadette Custers. Van Goor, 12+, 271 blz. € 15,95

De 11-jarige Mik ziet hoe zijn tante Lena de kachel opstookt met oude boeken. Shitboeken kun je net zo goed meteen opstoken, zegt ze. ‘Hoe weet je dat nou als je ze niet hebt gelezen?’, vraagt Mik. ‘Zoiets voel je als je een boek vasthoudt. Hier, voel maar.’ Lena werpt hem een boek toe. ‘Is dit goed of slecht?’ Mik weegt het in zijn hand en kijkt omhoog naar het plafond. ‘Slecht. Gooi maar in de kachel.’

Deze passage in Op het randje is kenmerkend voor het oeuvre van de Zweedse jeugdboekenschrijver Mikael Engström. Een hilarische scène, een absurde dialoog en wat provocerend anti-literair – op een gegeven moment gaan ook werken van Hemingway de kachel in. Engström, in zijn jonge jaren een automonteur die moeite had met lezen, is namelijk een ‘schrijver-uit-de-goot’ van het type Genet.

Engström blinkt uit in de lichtvoetige beschrijving van de spijkerharde wereld van de grauwe voorsteden vol gebroken gezinnen, angstaanjagende vmbo-scholen, jeugdige criminelen, drinkende vaders en depressieve moeders. Alleen al daarom is hij een van de belangrijkste jeugdboekenschrijvers van Europa. In Nederland won hij al twee keer een Zilveren Zoen – en zeer verdiend.

Op het randje is weer onmiskenbaar een Engström, maar toch behoorlijk anders dan zijn vorige boeken. Ondanks de plagerige boekverbranding, zijn de literaire verwijzingen veel explicieter dan voorheen. De sombere buitenwijk van Stockholm is wel de springplank voor het verhaal, maar het decor wordt overwegend gevormd door het Zweedse platteland. De hilarische taferelen van Tobbe en Dief van de duivel hebben grotendeels plaatsgemaakt voor een meer ingehouden humor.

Het gezin van Mik is volkomen ontwricht door de dood van zijn moeder en het alcoholisme van zijn vader. Als zijn oudere broer Tony de boel niet meer bij elkaar kan houden en ontspoort, wordt Mik uit huis geplaatst. Het verblijf bij zijn tante Lena in het hoge noorden is paradijselijk, maar eindig. Mik komt in een hels pleeggezin terecht, weet te ontsnappen en wordt uiteindelijk herenigd met zijn tante.

De hand van Engström is goed te herkennen. In de Dickensiaanse toestanden bij het pleeggezin bijvoorbeeld, waar Mik de duvelstoejager is voor angstaanjagende honden: In de schitterende personages in het dorp van Lena, zoals de bejaarde tweelingbroers van wie er een is bezeten door gelijktijdigheid: In de jongensweetjes zoals die over het inhouden van de adem, waarmee Miks gevoel van verstikking en verdrinking wordt verbeeld.

Dat gevoel werkt Engström uit met verwijzingen naar De gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren. Hij doet dat overtuigender dan Isabel Abedi in haar geslaagde thriller Whisper (besproken in Boeken, 13.06.2008). Bij Engström heeft het Nangijala, het hiernamaals, de gedaante aangenomen van een levensgevaarlijk windwak. Het wak biedt behalve doodsangst ook de belofte van verlossing en nodigt zo uit tot springen.

Mik voelt zich de kleine Kruimel, die in zijn grote broer Tony de beschermde Jonathan wil zien. Maar uiteindelijk redt hij zichzelf. Met de hulp van vrienden, waartoe nu ook een meisje behoort.