China haalt oliecontract Irak binnen

China heeft in Irak een groot contract voor oliewinning afgesloten. Het krijgt daarmee eerder toegang tot de grote Iraakse oliereserves dan westerse oliemaatschappijen. Irak heeft na Saoedi-Arabië en Iran de grootste oliereserves ter wereld.

Twee maanden geleden werd bekend dat een groep westerse oliemaatschappijen, waaronder Shell, op het punt stond contracten voor oliewinning in Irak af te sluiten. Het zou de eerste keer zijn sinds de nationalisering van de Iraakse oliebronnen in 1972 dat buitenlandse bedrijven weer toegang zouden krijgen tot Irak. Maar de gesprekken tussen de westerse oliemaatschappijen en het Iraakse ministerie van Olie hebben tot op heden niks opgeleverd. Er zou onenigheid zijn over de voorwaarden van de contracten.

Irak heeft nu wel een contract getekend met het Chinese staatsbedrijf CNPC. Het bedrijf had het contract al in 1997 bedongen, toen Irak nog werd geleid door Saddam Hoessein. Maar als gevolg van de Tweede Irakoorlog, die de VS in 2003 begonnen, is het destijds niet uitgevoerd. Nu kan CNPC alsnog aan de slag in Irak, nadat de voorwaarden opnieuw zijn onderhandeld met het Iraakse ministerie van Olie. Het Chinese staatsbedrijf mag vanaf volgend jaar meehelpen bij de ontwikkeling van het al-Ahdab olieveld, dat 150 kilometer ten zuidoosten van Bagdad ligt.

De ontwikkeling vergt een investering van naar schatting 3 miljard dollar (2 miljard euro). Het contract is twintig jaar geldig na het begin van de eerste productie. Het al-Ahdab olieveld bevat ten minste 4,5 miljard vaten olie – de wereld verbruikt op het moment 87 miljoen vaten olie per dag.

Irak is mede zo interessant omdat de olie er makkelijk en dus goedkoop kan worden gewonnen. In haar World Energy Outlook van 2005 schatte het Internationaal Energie Agentschap in Parijs de kosten voor de winning van een vat olie in Irak op 1 dollar.