Beginselen of passie

Bijna alle politieke partijen hebben beginselen. Zonder principes verwordt politiek immers tot opportunisme. Maar omdat de maatschappelijke werkelijkheid in de loop der jaren verandert, doen partijen er goed aan die beginselen niet tot dogma’s te laten stollen. Daarom is het verstandig dat VVD-leider Rutte het initiatief heeft genomen de beginselen van zijn partij opnieuw te formuleren. De vorige keer is dat gebeurd in 1980. Alleen al de woordkeus van toen doet gedateerd aan. Zo zou de passage over de „veelvormige samenleving” die door „naastenliefde” bij elkaar wordt gehouden, nu aanleiding kunnen geven tot het misverstand dat de VVD een christelijk en multicultureel wereldbeeld koestert.

De toonzetting van fractievoorzitter Rutte is modern, misschien wel té modern. Zoals de zinsnede dat de VVD een „plek” wil zijn voor iedereen die zich „met rede en passie wil inzetten” voor de „liberale droom”. Deze modieuze retoriek is wellicht het gevolg van het feit dat hij zelf van a tot z de auteur is van de tekst. De nieuwe beginselen vertolken zodoende eerder zijn persoonlijke „missie” dan die van de partij.

Maar de kernvraag is natuurlijk hoe liberaal deze nieuwe beginselverklaring is. Het antwoord daarop is helaas niet eenduidig. Rutte wil een „krachtige, kleine staat” die de burger de ruimte geeft. Maar die ruimte is er niet voor niets. Die is er om iets „buitengewoons” te maken van het leven, „om het leven niet zomaar voorbij te laten gaan, maar het juist met verve te leven”. De vraag dringt zich hier op of deze categorische imperatief „tegen de terreur van de middelmaat” nog wel liberaal is.

De beginselverklaring bezwijkt onder een vergelijkbare spanning als Rutte het begrip burgerschap definieert. Het staat „elk mens vrij om sociale relaties van zijn of haar keuze aan te gaan, net zoals het iedereen vrij staat weer uit de verbanden te treden”. Waarna de concepttekst onverwijld en zonder toelichting vaststelt: „Goed burgerschap, ook van immigranten, houdt in dat een individu zich in zijn handelen rekenschap geeft van de cultuur en de bijbehorende normen van onze samenleving”. Volgens de VVD, die zich elders in de tekst terecht keert tegen de „dictatuur van de meerderheid”, zijn die vrije relaties uiteindelijk dus niet volstrekt vrij.

Dit zijn geen bezwaren van sofistische aard. De inherente tegenstellingen doen afbreuk aan de verlichte geest die elders door de conceptbeginselverklaring waart, bijvoorbeeld in overtuigend liberale passages over individuele verantwoordelijkheid als „ethisch fundament”, over gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en sociale rechtvaardigheid, over onderwijs als verheffingsinstrument en over de staat als marktmeester op een vrije markt.

Het liberalisme is geen politieke stroming die op elke vraag een antwoord heeft of moet willen hebben. Maar te veel contradicties, zeker als die door de politieke opportuniteit van de dag zijn ingegeven, ondermijnen de aanspraak dat het liberalisme eerst en vooral ijvert voor de individuele verantwoordelijkheid van de individuele burger.