Als alle toekomst is weggevloeid

Het is goed om Fernando Pessoa te lezen als je zeventien bent en bang voor de wereld. Maar hoe zit het daarna? En is deze sigarenwinkel het universum?

Ergens zou het nog moeten zwerven, het stukje papier waar ik twintig jaar geleden vier dichtregels op schreef:

Ik ben niets.

Ik zal nooit iets zijn.

Ik kan ook niet iets willen zijn.

Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.

Ik weet niet meer hoe lang het blaadje boven mijn tafel heeft gehangen, ongetwijfeld korter dan ik nu denk. En zeker wist ik op mijn zeventiende niet hoe beroemd het in totaal bijna 150 regels lange gedicht ‘Tabacaria’ (Sigarenwinkel) van Fernando Pessoa was. Het is zelfs het enige gedicht dat een aparte vermelding krijgt op de binnenflap van De metafysische ingenieur en andere gedichten 1923-1953, het nieuwe deel van de Pessoa-bibliotheek dat nu is verschenen – het laatste deel dat werd vertaald door August Willemsen, de vorig jaar overleden Nederlandse ‘stem’ van Pessoa (1888-1935).

Er is niet zo veel verbeelding voor nodig om in te zien waarom juist deze regels een zeventienjarige ten diepste kunnen beroeren. Om met de vierde regel te beginnen: natuurlijk heb je alle dromen van de wereld, natuurlijk wil je van alles met de wereld die daar ergens buiten ligt te wachten. En natuurlijk ben je ervan doordrongen dat wereld misschien wel helemaal niet op je zit te wachten, dat die je, als je je kamer eenmaal hebt verlaten, duidelijk gaat maken dat je niets bent, nooit iets zal zijn en ook niet iets kan willen zijn.

En dus zit je tot nader order nog maar even verder in je kamer, wachtend op het moment dat je de wereld écht zult betreden, in lijn met het gedicht zelf, dat vervolgt met: ‘Vensters van mijn kamer, / Kamer van een van de miljoenen op de wereld van wie geen mens weet wie hij is / (En als ze zouden weten wie hij is, wat zouden ze dan weten?)’

De manier waarop Pessoa (of eigenlijk zijn heteroniem Álvaro de Campos) de kloof met de buitenwereld metafysische proporties geeft, is verleidelijk voor een mens die die wereld nog moet durven ontdekken – en extra aantrekkelijk is daarbij de gedachte dat Pessoa zelf tóch iemand is geworden. Hij kan wel over zijn ambities schrijven: ‘Ik zal altijd degene zijn die daarvoor niet geboren was; / Ik zal altijd enkel degene zijn die zo begaafd was’, maar wij weten dat het goed is afgelopen. Voor een zeventienjarige is de schroom voor de buitenwereld óók de schroom voor de toekomst, zoals een gedicht in de ik-vorm onvermijdelijk over de dichter zelf moet gaan.

Het is dus goed om Pessoa te lezen als je jong bent. Maar is die jeugd ook een voorwaarde? Hoe lees je hem als je, om in dezelfde beelden te blijven, uit je kamer bent gekomen en deel bent gaan uitmaken van de wereld en die van dichtbij een stuk minder metafysisch blijkt te zijn? Waarbij je weet dat er een personage aan het woord is en niet per se de dichter zelf? Die zich trouwens heeft doodgedronken? Daar was hij al een end mee gevorderd toen hij ‘Sigarenwinkel’ schreef op 15 januari 1928. Hij was toen 39, uit het lood geslagen door de dood van zijn moeder en hij had nog zeven jaar te gaan. Het gedicht heette aanvankelijk trouwens ‘Mars van de ondergang’.

Na twintig jaar staat die titel veel dichter bij mijn leeservaring. Wat hetzelfde is gebleven, is dat zich nog steeds iets in mijn bovenlichaam samenknijpt wanneer ik de beginregels van ‘Tabacaria’ overschrijf, wanneer ik de rest van het gedicht lees. Maar van het ironische optimisme dat ik destijds in het gedicht zag, de droom-tegen-beter-weten-in, is niet veel meer over.

Nu hoor ik een oude man. Een regeltje als ‘Ik heb gefaald in alles’ is ineens niet meer van iemand die zijn dromen wil verbloemen, maar de naakte waarheid. De kern van het gedicht verschuift naar regels waar geen enkel besef van toekomst uit spreekt:

Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was en ik ontkende niet, en was verloren.

Toen ik het masker wilde afdoen.

Zat het vast aan mijn gezicht.

Toen ik het afdeed en mij in de spiegel zag,

Was ik reeds oud geworden.

[...]

Ik wierp het masker weg en ik ging slapen in de vestiaire

Als een hond die wordt getolereerd door de directie

Omdat hij ongevaarlijk is

In het nawoord – een van de laatste dingen die hij over Pessoa schreef – noemt August Willemsen het gedicht ‘een van de meest wanhopige gedichten van de twintigste eeuw’. Hij schrijft er lang over, over hoe er eigenlijk twee mensen aan het woord zijn in deze ‘monodialoog’, een personage en een onbekende ‘Ander’ die soms het woord neemt. Over de vraag of de sigarenwinkelier eigenlijk God is en de sigarenwinkel het universum, maar ook over de wonderbaarlijke concreetheid die de metafysica van Pessoa ‘navoelbaar, bijna zichtbaar’ maakt. En over hoe de onmogelijkheid het leven te leven nergens zo expliciet door hem wordt verwoord.

Wanneer het in zijn nawoord tijd is om over te gaan op de bespreking van de andere fenomenale gedichten in de 500 bladzijden dikke bundel schrijft Willemsen: ‘Wat mij steeds, en steeds weer doet terugkeren tot deze tekst, die ik al ken sinds 1961, is dat, hoeveel er ook over gezegd is, hoeveel we ervan menen te begrijpen, er steeds, bij iedere laag die eraf wordt gepeld, een nieuwe laag te voorschijn komt, tot aan de laatste, die een mysterie is, of gewoon een wonder, waar ons vernuft het tegen aflegt. Dat moet de kern zijn van de poëzie, en daartegen is geen kruid gewassen.’

Ik heb niet vaak zo’n lange, liefdevolle zin over een gedicht gelezen. Door de opeenvolging van komma’s krijg je haast het idee dat Willemsen het afscheid van die zin, van dit gedicht wilde uitstellen, maar dat zal projectie zijn: het is immers het laatste dat Willemsen na 46 jaar over ‘Sigarenwinkel’ schreef. En als je het gelezen hebt denk je: ja, 46 jaar met dit gedicht – dat is een beetje kort.

Álvaro de Campos [Fernando Pessoa]: De metafysische ingenieur en andere gedichten 1923-1935. Vertaald en van een nawoord voorzien door August Willemsen. De Arbeiderspers, 560 blz. € 45,–